In Nijmegen aangekomen voor de Dag van de Kerkgeschiedenis. Ruimschoots op tijd voor een kopje koffie. Ik krijg er geen koekje bij, maar wel een vraag. Dat vond ik overigens niet erg. Thuis heb ik ook geen koekjes, wel vragen.

U bent kerkhistoricus. Wat vindt u nu van de situatie in de kerk vandaag? Kardinaal Eijk vindt dat de leer van de Kerk gehandhaafd moet worden, maar anderen zijn het daar niet mee eens. Dreigt er een scheuring te ontstaan in de Kerk?

De dame die voor de koffie zorgt, maakt zich duidelijk ongerust. Die ongerustheid kan ik niet wegnemen, maar wel relativeren. De discussie over hoe je moet omgaan met de kerkelijke leer is namelijk al eeuwenoud. Ik kon haar dus geruststellen: wat we nu zien is een worsteling met een vraag die misschien al wel vanaf het begin van het christendom de gemoederen heeft beziggehouden.

Die discussie hoeft niet tot een schisma te leiden, al is dat wel een keer gebeurd. In Nederland nog wel. We moeten dan wel een paar eeuwen terug.

Sinds de Tachtigjarige Oorlog was de rooms-katholieke Kerk in de Noordelijke Nederlanden noodgedwongen ondergronds gegaan. De uitoefening van de katholieke eredienst werd oogluikend — en tegen betaling van smeergeld — toegestaan in zogenaamde schuilkerken. Van binnen waren ze ingericht als kerk en dat was in orde zolang het aan de buitenkant maar niet te zien was. Denk aan Ons’ Lieve Heer op Solder in Amsterdam.

Zo slaagden de katholieken in de Noordelijke Nederlanden erin om een min of meer normaal kerkelijk leven te leiden, met de bijbehorende conflicten. Die gingen onder meer over de manier waarop je moest omgaan met de zonden van de gelovigen die aan je zorg waren toevertrouwd. De jezuïeten en andere leden van kloosterordes waren over het algemeen minder streng dan de seculiere geestelijkheid, de priesters dus de niet tot een orde behoorden.

Uiteindelijk leidde dit tot een schisma, waaruit de Oud-katholieke kerk is ontstaan: een aantal priesters die strikt in de leer waren, gingen over tot het kiezen van eigen bisschoppen en werden door de paus geëxcommuniceerd.

Zo ver zal het nu niet komen, want er speelden nog andere factoren een rol. Bijvoorbeeld de autonomie van de plaatselijke bisschoppen ten opzichte van Rome. Die autonomie werd destijds vooral benadrukt door de ‘strenge’ vleugel.

Kardinaal Eijk benadrukt dat katholieken vaak te weinig weten van de leer van de Kerk over bijvoorbeeld het huwelijk. En ook dit is niets nieuws. Dezelfde klacht klonk toen in het midden van de zestiende eeuw de aanhang voor het calvinisme in de Nederlanden toenam. Katholieken fabriceerden zelf een wereldbeschouwing waarin ze onbekommerd de leer van hun eigen kerk vermengden met elementen uit het protestantisme en zelfs met allerlei vormen van bijgeloof.

Vandaar dat het Concilie van Trente, dat in dezelfde eeuw werd gehouden, zo de nadruk legde op goede catechese. Die zorgde voor een hervorming van de rooms-katholieke Kerk, ook wel aangeduid als de contra-reformatie, met daarin een hoofdrol voor de jezuïeten.

Conflicten over de toepassing van de leer van de Kerk leiden dus vrijwel nooit tot een schisma — maar je weet maar nooit.

Foto: Andrés Nieto Porras CC BY-SA 2.0