Fundering van het Christus vivit

0
1083
Meisje met paardenbloem

Zaterdag 15 juni las ik de samenvatting van Joost Jansen oPraem van de pauselijke exhortatie Christus vivit’. Paus Franciscus heeft deze aanmoediging voor jongeren geschreven n.a.v. de Bisschoppensynode die gewijd was aan jongeren, geloof en onderscheiding van de roeping. De paus spreekt de jongeren – heel verstandig – aan in hun eigen taal- en beeldgebruik. Ik beken dat ik de leeftijd van de geadresseerden al ver voorbij ben. Desondanks sprak de exhortatie mij aan en daarom reageer ik er graag op. Temeer daar ik het op enige punten niet met de bisschop van Rome eens ben.

door Pieter Butz

Mijn reageren-aandrift vloeit vooral voort uit mijn zorgen over het feit dat vele gelovigen zich terugtrekken uit de kerk. Ook al zou de kerk moderne mensen, in casu jongeren, weinig tot niets meer te zeggen hebben, zij blijft toch één van de belangrijkste kanalen waardoor de bijbelse wijsheid naar de wereld stroomt. Ik ben blij dat Franciscus, als centrale vertegenwoordiger van de christelijke kerk in de meest brede zin van het woord, zijn zorgen daarover laat blijken. Bovendien verlamt hij de jongeren niet door de schuld van de secularisatie bij hen te deponeren.  Integendeel, hij ‘roept’ de jongeren op – en via hen de oudere generaties – Christus na te volgen. Deze biedt zijn woorden en zijn handelen als voorbeeld van een leven ten dienste van het Godsrijk. Hij wil als een goede vriend ieder mens – dus ook jou en mij – persoonlijk inspireren met zijn visie op de tora, de ‘spelregels’ voor dat rijk. Ik leid uit de brief van Franciscus af dat het hem niet in de eerste plaats gaat om het voortbestaan van de kerk, hoe – nogmaals – waardevol dit instituut ook is. Volgens mij roert hij in zijn aanmoediging vooral het voortbestaan van de menselijke samenleving aan. Dat staat of valt met het onderhouden van het eerste gebod – God liefhebben – én het tweede – de naastenliefde.

Franciscus spoort de jonge mensen aan hun aandacht te richten op bijbelse figuren. Hij schroomt daarbij niet op jong-volwassenen uit het Eerste Verbond te wijzen. Dat verheugt mij want het zijn die figuren en hun gedachten, hun verhalen uit het oude Israël die de basis vormen van de gedachten van Jezus en daarmee van de boodschap van de kerk en van de  christelijke traditie. Deze oud-testamentische ‘helden’ vertellen de jongeren van nu welke worstelingen de jongeren van toen hebben moeten voeren bij de keus tussen het éigen belang enerzijds óf anderzijds een leven waarin plaats is voor een ander. Jakob, David en Salomo zijn mooie voorbeelden van zo’n jonge man in tweespalt. Evenals Ruth en Judith prototypen zijn van jonge moedige en wijze vrouwen. ‘Moedig’, want wie kiest voor de ander roeit tegen de stroom in. Meteen al kan ik de vraag stellen waarom al deze pracht-figuren zo weinig aan de orde komen in de liturgie en in overwegingen?! Waarom nog wel steeds aandacht voor enigszins wereldvreemde en weinig aansprekende heiligen uit een ver verleden? Figuren van wie m.i. weinig inspiratie meer uitgaat naar veel hedendaagse jongeren. Even jammer vind ik de verwijzing van Franciscus naar ‘het Jezuske’ uit de kindsheidverhalen. Mij raken ze absoluut niet met hun onnozele vroomheid (of vrome onnozelheid). Het enige verhaal van de jonge mens Jezus met een actuele ‘aha-erlebnis’ is dat van zijn verblijf in de woestijn. De symboliek ervan verwijst naar de keus waarvoor ieder jong mens komt te staan in zijn groei naar volwassenheid.

Jammer vind ik ook dat Franciscus – althans in deze samenvatting – niet dieper ingaat op de symboliek van de Tien-woorden en op de continue uitleg (halacha) daarvan naar onze tijd. De decaloog vormt immers het hart van de bijbel. Het is de Geest van de Eeuwige die in de tora tot ons spreekt (en zingt!); het is Jezus die accepteert dat zijn keus voor tora zijn dood zal inhouden. Dat ‘loon’ moet ook vandaag nog worden betaald. Vandaar dat Franciscus zijn exhortatie wonderschoon, maar tegelijkertijd levensbedreigend betitelt: Christus leeft!

Nu kom ik nog dichter bij mijn moeite met deze aanmoediging. Zij straalt iets uit wat voorbij is. De brief voert mij terug naar mijn ‘jongelingsjaren’; naar de tijd dat ik enthousiast lid was van de CJMV, de christelijke jongemannen vereniging, naar de tijd dat ik warm liep voor de Gemeenschap van Taizé. Oprecht genoot van het samen zingen en bidden tijdens de massameetings van Youth for Christ. Prachtig vond ik de Open-deurdiensten van drs Piet Lugtigheid in de propvolle St Jakobskerk in Den Haag. En de bijeenkomsten voor de X-padvinders waar ‘de jonge kerk het oude Woord’ mocht aanhoren, waren voor mij glorierijke uren. Het was de periode in mijn godsdienstig denken dat ik de Eeuwige vanzelfsprekend beschouwde als mijn Schepper, als de bestuurder van mijn leven, Jezus als mijn redder. Toen was ik ervan overtuigd dat ná mijn leven de hemel wachtte als een eeuwige verblijfplaats van de vromen, als een ‘beloning’ voor mijn persoonlijke ‘navolging van Christus’. Ik kan u zeggen: het waren goede en mooie tijden. Nog ben ik enigszins jaloers op mensen die vandaag de dag in rouwbrieven of dito advertenties getuigen van dat voor hen nog steeds levende geloof. Wat een overgave aan God de almachtige Vader, wat een rust in Jezus de goede Herder, wat een verwachting van de Geest als hun Trooster! Maar mij daaraan overgeven, wil en kan ik niet meer.

Want langzamerhand begon in mijn denken dit vertrouwde geloof te verschuiven. Ik leerde de oude verhalen van de bijbel – en dan met name die van het Eerste Verbond – anders verstaan. De bijbelse geschiedenisverhalen van mijn lagere schooltijd werden metaforen voor de gang der mensheid. De ‘helden’ uit Tenach als Abraham, Jakob, David en Jona leerden mij dat geloven in de Eeuwige niet alleen ‘vreugde door verdriet heen’ betekende, maar een prijs vroeg, moed eiste en een mateloos vertrouwen in een volkomen onzekere toekomst. De bijbel werd meer dan een boek met soms sprookjesachtige, soms onrustbarende, huiveringwekkende verslagen van mannen en vrouwen die angstig hadden geluisterd naar de roepstem van God. Voor mij werd de bijbel het boek van enkele vrouwen en mannen door de eeuwen heen die met vallen en opstaan, met weifelen en doorduwen, nu eens met oostindisch doof-zijn en dan weer met vrees en beven, hadden ingestemd met die ‘onmenselijke’ opdracht de ander te respecteren, lief te hebben. ‘Onmenselijk’ noem ik deze taak want hij past niet bij ons, mensen. Wij zijn veel eerder geneigd ons eigen geluk te zoeken, onze eigen belangen te behartigen, ons leven te laten prevaleren boven dat van anderen. Hoe dierbaar ze ons zijn. De wijze bijbelvertellers en –schrijvers gaven de Israëlieten – en in hun spoor andere volkeren – handreikingen om hun leven zo in te richten dat ze deze ‘naastenliefde’ konden realiseren. Verhalenderwijs leerden de bijbelvertellers aan hun luisteraars dat God zelf deze leefregels had geschreven uit liefde voor de mensen. Deze ‘aanwijzing tot samen-leven’ kennen wij als ‘de wet’ ook wel ‘de decaloog’. Tegenwoordig gebruiken we ook het Hebreeuwse woord ‘tora’.

Misschien wel mijn grootste en moeilijkste ‘verschuiving in denken’ was Jezus te gaan zien als een mens die deze tora zo uitlegde dat deze acceptabel werd voor iedereen die goed luisterde en deze aanwijzing wilde praktiseren. Zo helder had Jezus de tora aan de mensen ‘geleerd’, dat hij de eretitel kreeg een ‘Zoon van God’ te zijn. Hij had bovendien begrepen en vóórgeleefd dat de prijs van zo te leven heel hoog zou kunnen uitpakken, namelijk in een moord aan het kruis. Hij was er niet voor weggelopen. Over die angstige concreetheid in het navolgen van Jezus gaat het tweede deel (of testament) van de bijbel: de evangeliën en de brieven van enkele Jezusvolgers. Met name op dat tweede testament heeft de christelijke kerk zich gefundeerd.

Waarom schrijf ik nu zo’n uitgebreide reactie op de exhortatie van paus Franciscus? Twintig eeuwen lang heeft de theologie zich bij de uitleg van de bijbel èn de fundering van de leer van de christelijke kerk gebaseerd op wat de godgeleerden meenden te vinden in de woorden van de bijbel. Daarbij werden wel vaak teksten uitgelegd als door buiksprekers. Dat wil zeggen op een manier die paste in hun gewenste realisering van een weinig democratisch machtsinstituut. Daarbij kwam dat ook eeuwenlang allerlei onverklaarbare verschijnselen in het heelal en op aarde in verband gebracht en verklaard vanuit de bijbel. God werd ons voorgeschoteld als een superbrein dat alomtegenwoordig alles wat gebeurde in en aan het geschapene zin en verklaarde was en zo nodig bestrafte. Maar inmiddels is de (bijbelse) wetenschap enorm gegroeid, is de wereld niet langer het woongebied van vele volkeren en schepselen, maar vormen wij te samen één volk: de mensheid, wonend op een bedreigde aarde. Deze ‘globalisatie’ en deze bedreiging van de ‘duur-zaamheid’ gaat alle leven aan en daarmee ook het bestaan van de kerk. Maar meer dan de gezamenlijke kerken en hun besturen geven juist jongeren blijk van hun verantwoordelijkheidsgevoel ten opzichte van deze ontwikkelingen. Het zijn de jongeren die massaal en wereldwijd demonsteren voor het leven van en op ‘hún’ – aarde. Het zijn  de jongeren die de economische, anti-democratische en anti-duurzame bedreigingen signaleren die via de groei van intermedia en technologie het voortbestaan van individu en ‘homo sapiens’ als soort bedreigen. De ‘kroon der schepping’ dreigt zijn bevoorrechte positie kwijt te raken. Die behoeden en bewaren zijn vele eeuwen lang taken geweest, wezenlijk voor de kerk en als zodanig beeld van de Barmhartige Schepper. Helaas zwijgt Franciscus in zijn exhortatie over deze opdracht aan zijn volgelingen. Hij schrijft over ‘roeiers’ en over een ‘stuurman’ maar geeft niet aan wie hij daarmee bedoelt. De huidige kerk lijkt die opdracht naast zich neer te leggen en zich vooral te bekommeren om het verlies van macht en invloed. Zij is zelfs zo ondemocratisch van aard dat zij de helft van de mensheid niet serieus neemt. Franciscus spreekt in dit verband raadselachtig over ‘wortels’ en ‘ankers’. Maar ik associeer wortels en ankers met ‘wortelen’ en ‘vastleggen of -zetten’, op één plek blijven. Liever zie ik ‘op weg gaan naar een beloofd land’ als taak voor de kerk en voor haar gelovigen. Onze wereld is alleen gebaat met het uitzaaien van het Goddelijk gebod van de (naasten)liefde. Dat gebod van de Barmhartige is het enige wat de mensheid en onze aarde kan redden van bot egoïsme, van domme heerszucht, van onwijs vertrouwen op technologische suprematie op alle terreinen.

Lieve Franciscus, moedig de jongeren – uw zonen – aan tot deze taak. Is dat niet hun ‘roeping’?!

Pieter Butz is participant van de Abdij van Berne