Godsgemis is groter dan godsverlies

0
1918

Ik vraag me wel eens af: zouden ze God missen, al die mensen die Pasen aan zich voorbij laten gaan of er het feest van de Paashaas van maken? Ik weet het niet, maar ik vermoed het. Te veel mensen lopen er te zwaarmoedig of te nors bij. Hun leven heeft de tonaliteit van versierde droefheid. Dat moet een reden hebben.

Opiniemakers willen ons laten geloven dat mensen blij zijn dat zij van hun geloof gevallen zijn. Integendeel, vrees ik. Stef Bos zong ooit: “Ik mis een God om in te geloven.” Wie iets mist, is het wel kwijt, maar niet van harte. Onder elk gemis zit een verlangen. De Vlaamse ook in Nederland bekende televisiemaker Bart Peeters zei onlangs met andere woorden precies hetzelfde in een zaterdagochtendbabbel op de Vlaamse radio.

Over dat godsgemis, dat mijns inziens groter is dan het godsverles, heb ik het in het laatste hoofdstuk van mijn zopas verschenen boek “Help! Ik ben gelukkig” (uitg. Pelckmans). Mensen zouden wel willen geloven, maar ze kunnen niet. Het verlangen van het hart botst op het onbegrip van het hoofd.

Het denken van velen zit gevangen onder de stolp van de rationaliteit. Het ziet door de glazen stolp dat er heel veel is dat niet door de ratio te verklaren is, maar het geraakt niet vanonder die stolp. Hun denken vertoont tekenen van verstikking. Het heeft dringend zuurstof nodig. De stolp moet opgelicht worden (niet om de ratio uit te schakelen evenwel). Maar zij durven zich niet wagen buiten de zekerheid van de rationaliteit.

Nochtans, hun rationele kennis is in die fase van inzicht gekomen, dat het duidelijk wordt dat het uitzicht van het leven er niet door begrepen kan worden. De zin van het bestaan, de schoonheid van kleur en klank, de betekenis van taal en woorden, de liefde voor elkaar en voor de verre buitenstaander, de waardigheid van onszelf en de anderen, het goede en het kwade, de barmhartigheid voor wat fout liep, de vergeving van de vijand en zoveel meer kunnen zij breinmatig slechts een beetje benaderen, maar zo blijven zij mijlenver van de diepe betekenis.

Bij veel andere mensen is het niet omdat hun rationele denken in de weg zit dat zij niet buiten de materie geraken. Zij zijn ongelovig uit tijdsgebrek. Zij hebben door de ratrace waarin zij zitten, en omdat zij geloven door geld en aanzien het geluk te vinden, niet de tijd om over de dingen des levens na te denken. Ook zij missen God, maar zij hebben geen tijd om dat te beseffen. Of zij zijn bang om de tijd te nemen om over de zin en de finaliteit van het leven na te denken.

Misschien ziet ook daarom onze samenleving er zo ongelukkig uit, al zeggen wij klaroenschallend dat wij gelukkig zijn (om onszelf te beschermen). Troosteloos omdat ze iets fundamenteels kwijtgeraakt is. Wat wij ook nastreefden als ideaal of uitprobeerden als surrogaat, niets van dat alles heeft God ooit kunnen vervangen. Alvast nooit langer dan de duur van de revolutie of de sessie. De vervulling was over op het moment dat de roep om verandering omkeerde in een vraag naar stabiliteit. Wij schreeuwen het daarom geluidloos uit: “Help! Ik ben gelukkig!”

Hoe groot het gemis aan Hem ook is, toch komt God niet in beeld. Veel mensen voelen zich niet aangesproken en geraakt door de taal van de kerkelijke verkondiging. Het godsbeeld van de kerkelijke verkondiging is te gesloten en tegelijk te duidelijk. Het lijkt wel of onze predikanten God persoonlijk gezien hebben.

God wordt in de prediking te zeer vermenselijkt. Hij lijkt wel gemaakt naar ‘s mensen beeld en gelijkenis, in plaats van het omgekeerde. Er wordt in het spreken over God te weinig ruimte gelaten voor de grote Onbekende God.

We hebben van God te zeer een maatje gemaakt. Dat kunnen mensen niet of maar moeilijk aanvaarden. Een God die denkt en handelt zoals de mens, is geen meerwaarde. Zo’n God is geen haar beter dan de mens. Dat men in de kerk de indruk wekt van God te kennen van aangezicht tot aangezicht (terwijl Paulus sprak van een wazige spiegel), heeft voor veel mensen de ruimte dichtgetimmerd waarin zij over God zouden kunnen denken en waarin zij Hem zouden kunnen aanspreken.

Er is een groot verlangen naar een oningevulde ruimte waarin God Gans Anders gelaten wordt. Alleen die Gans Andere kan voor de hedendaagse mens de God zijn die hem de vrijheid geeft om zijn veeleer emotioneel dan rationeel gestuurde verlangen naar transcendentie te beleven. En dat mist de hedendaagse geseculariseerde mens hartsgrondig. De stelligheid waarmee die opiniemakers hun secularisatiethese poneren, lijkt daarom verdacht veel op een poging om hun eigen vrees te maskeren dat het wel eens niet waar zou kunnen zijn dat mensen gelukkig zijn met Gods dood.