Litanie van doffe ellende in Vrome Zondaars

0
1788

Binnen acht maanden na de eerste publicaties in NRC brengt journalist Joep Dohmen zijn onderzoeksresultaten samen in het boek Vrome zondaars. Het boek is een litanie van doffe ellende die een bijdrage levert aan het historisch onderzoek. Tegelijkertijd blijft de lezer nog met een aantal vragen zitten.

Wie Vrome zondaars leest, moet van tijd tot tijd het boek even aan de kant leggen. De meeste details worden de lezer bespaard, maar zelfs de meest zakelijke beschrijvingen maken duidelijk dat er sprake is van gruwelijkheden. Door namen en plaatsen te noemen brengt Dohmen het misbruikverleden erg dichtbij.

Structureel probleem

In de beschrijving van de internaatscultuur maakt Dohmen duidelijk dat er sprake was van een structureel probleem: kandidaten werden niet of nauwelijks geselecteerd op emotionele volwassenheid, broeders en zuster voerden taken uit waarvoor ze niet de bevoegdheid hadden en als ze de fout in gingen dan lag de prioriteit bij toedekken en het beperken van imagoschade. De Nederlandse staat faalde net zo goed: er was geen toezicht, nauwelijks regels en voogden zagen ‘hun’ kinderen hoogstens één keer per jaar. Slachtoffers waren in de afhandelingen van deze zaken geen partij. Zij moesten zwijgen.

Dat deze factoren een rol spelen in seksueel misbruik is al langer bekend. De verdienste van Dohmen is vooral dat hij duidelijk maakt dat ze in de gegeven situaties een rol spelen. Hij toont zijn integriteit daarbij door niet te kiezen voor makkelijke oplossingen. Zo wijst hij op basis van zijn onderzoek een causaal verband tussen celibaat en misbruik van de hand. Er zijn namelijk ook leken onder de daders. Opmerkelijk is dat hij geen gebruik heeft gemaakt van het John Jay Report, dat een van de weinige uitgebreide onderzoeken op dit vlak is.

Schaalgrootte

De getuigenissen zijn stuk voor stuk verschrikkelijk en het is duidelijk dat het mis was in veel internaten. Dohmen laat echter helaas in het midden liggen op welke schaal dit misbruik nu plaats vond. Over de broeders van Maastricht schrijft Dohmen dat 48 slachtoffers zich gemeld hadden die ‘waren misbruikt of mishandeld door 23 bekende en 13 onbekende broeders’ in de periode 1937-1972. Daar voegt hij aan toe: ‘De congregatie had in de tussenliggende periode tienduizenden katholieke jongens in Nederland op haar scholen gehad.’ De voor de hand liggende vraag is dan: op welke schaal vond dit misbruik plaats? Zit het op, onder of boven de gemiddelden in de samenleving? Daar ligt een schone taak voor de commissie-Deetman.

Snelle publicatie

Door de snelle publicatietijd zijn veel verhalen nog in ontwikkeling. Zo meldt Dohmen de klachten over mgr. Gijsen maar kan hij nog geen afgewogen oordeel over de zaak geven. Onder tijdsdruk zijn ook storende fouten door de eindredactie gekomen. Zo heeft Dohmen het voortdurend over de ‘Dom’ in Utrecht als hij de Sint Catharinakathedraal bedoeld. Los van dit soort details moet je je afvragen of zorgvuldigheid naar de verdachten zich verhoudt tot een snelle publicatie.

Zeker in het geval van Gijsen is dat de vraag. Er is in deze zaak sprake van twee klagers die twee verschillende klachten hebben. De één beticht Gijsen van gluren in de jaren ’60, de ander stelt dat Gijsen – toen nog student – in de jaren ’50 bij hem in bed kroop. De zorgvuldigheid die Dohmen in zijn inleiding uit de doeken doet, wordt hier niet toegepast.

Kritiek op Deetman

Het onderzoek van de commissie-Deetman is nog in volle gang. Toch zet Dohmen bij een aantal zaken al vraagtekens. Met name de ‘terms of reference’ zitten hem dwars. Daarin is onder meer vastgelegd dat alle betrokken partijen zich gedurende het onderzoek onthouden ‘van uitspraken en informatieverstrekking omtrent de (mogelijke) uitkomst van het onderzoek totdat de onderzoekscommissie haar eindverslag heeft aangeboden aan de opdrachtgevers’. Een aantal oversten van ordes weigert op grond hiervan om slachtoffers te ontmoeten of anderszins te woord te staan. Dat lijkt me echter meer een probleem van die oversten dan van Deetman.

Een ander punt is de omvang van het onderzoek. De commissie onderzoekt seksueel misbruik in RK instellingen in Nederland. Dus niet fysiek misbruik of seksueel misbruik in overzeese gebiedsdelen. Dat zou zeker een onderzoek waard zijn, gezien het feit dat veel ordes ook in missiegebieden werkten. Maar een groter onderzoek vergt meer tijd, en juist publicaties als die van Dohmen maken dat met spanning wordt uitgekeken naar de uitkomsten van het onderzoek van de commissie-Deetman.

Hulp en Recht – verdachten en daders

De kritiek op Hulp en Recht lijkt meer hout te snijden. Dohmen vliegt uit de bocht door het te vergelijken met de rechtbanken van de Inquisitie. Het feit dat gevoelige procedures achter gesloten deuren worden behandeld schijnt die conclusie voor hem te rechtvaardigen. De belangrijkste vraag laat hij liggen: in hoeverre worden zaken behandeld die nog onder het strafrecht vallen? Veel zaken zijn verjaard, maar geldt dat voor alle zaken?

Dohmen gaat in de regel zorgvuldig te werk in het vaststellen van feiten. Die feiten wil ik niet bestrijden. Het leed van de slachtoffers is daar, tragisch genoeg, het sterkste bewijs voor. De Kerk zal hen de hand moeten reiken.

Maar met al die feitelijkheden ontkom je nog steeds niet aan de werkelijkheid dat vele daders op het kerkhof liggen. Zij kunnen niet meer veroordeeld worden. Dat is voor dit boek ook niet zozeer de vraag. Voor Hulp en Recht echter wel. Naar het schijnt doet de instantie ook uitspraken in zaken waarin de dader zich niet kan verweren. In hoeverre wordt voor hem of haar een verdediging gevoerd? Een proces waarin de verdachte niet verdedigd wordt, is geen eerlijk proces. Ook dat mag niet vergeten worden.

Anton ten Klooster, priester

Joep Dohmen. Vrome Zondaars. Paperback, 319 pagina’s. 2e druk, oktober 2010. ISBN 978985210. te bestellen via NRC-Boeken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here