Wij kennen allemaal het scheppingsverhaal, toch? “God schiep Adam en Eva en zei: ‘Gaat heen en vermenigvuldigt u.’” Deze versimpeling èn verhaspeling van de Schrift zorgt tot op de dag van vandaag voor veel ellende, vooral voor hen die niet in “het plaatje” passen. Het Goede Nieuws is echter dat dit er helemaal niet staat. Bovendien zijn er in de Bijbel sowieso tenminste twee scheppingsverhalen en die zijn bepaald niet hetzelfde. Ze staan náást elkaar: Genesis 1 en daarnaast Genesis 2 over Adam en Eva. Dit tweede verhaal weerspiegelt de algemene praktijk waarin een man en een vrouw in liefde elkaar zo aanvullen, dat zij met elkaar een levenslange verbintenis aangaan en kinderen voortbrengen – ‘zoals het hoort.’ JHWH zegent hen en zij leefden nog lang en gelukkig (nou ja, min of meer dan). Gelukkig maar!

Ook het eerste scheppingsverhaal gaat over lang en gelukkig; God heeft de mens gezegend, omdat Hij zag dat het zeer goed was [Gn 1,28.31]. Toch is in het eerste scheppingsverhaal de visie op de mens ‘ietsje’ anders. Want in Genesis 2 is karakteristiek voor de mens dat deze uit het stof van de aarde (adamah) genomen is; de mens is een aardling, een adam [Gn 2,7]. In ‘ons’ scheppingsverhaal wordt echter als bijzonder kenmerk genoemd dat de mens naar Gods beeld is geschapen. Hierop ligt nadruk, want het wordt herhaald: God schiep de mens, naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem [Gn 1,27]. In het Hebreeuws gaat het hier om de nabijheid van God en mens, in het Grieks (de joodse vertaling, de Septuaginta) en het Latijn (de christelijke vertaling, de Vulgaat) wordt eerder richting uitgedrukt: God heeft de mens naar Zich toe geschapen. Beide beelden in dit scheppingsverhaal spreken mij gelovig zeer aan: als mens zijn wij dichtbij God èn op weg naar God toe [Dt 4,7 & Lk 15,20. 1Kor 8,6 etc.].

In Genesis 2 is het JHWH Die schept. In Genesis 1 is het “God”. Het Hebreeuwse woord dat voor God gebruikt wordt is meervoud. De vroege christenen zien hier al de Drie-eenheid in: voor ons dus geen probleem, zogezegd. Opmerkelijker is dat de mens enkelvoud is: God, meervoud, schiep de mens, enkelvoud – en niet andersom!

Toch vinden wij vervolgens ook meervoudigheid in die mens: de mens is namelijk mannelijk en vrouwelijk. Hier is nota bene geen sprake van man en vrouw [zoals de Statenvertaling en andere vertalingen geven], maar van “de mens” die naar Gods beeld mannelijk en vrouwelijk is [Gn 1,27]. De mens heeft mannelijke en vrouwelijke aspecten. Natuurlijk is dit waar voor de geslachtelijkheid; die is uiterlijk zichtbaar. Maar er zijn daarnaast dus ook andere menselijke eigenschappen: de hormonen alsmede het karakter, de manieren van denken en voelen, seksualiteit enzovoorts.

God zegende deze mens [Gn 1,28] – zoals Hij de mens heeft gemaakt in al diens mannelijkheid en vrouwelijkheid. Hij zegent de mens, omdat deze mens een goede schepping is, zeer goed zelfs! [Gn 1,31]

Nu zou je kunnen zeggen dat de daarop volgende opdrachten van God toch duidelijk slaat op mannen en vrouwen: “Weest vruchtbaar en wordt talrijk, vervult de aarde” [Gn 1,28: in het meervoud dus]. Het lijkt op het eerste gezicht misschien ook dat God drie keer hetzelfde zegt. Gods opdracht geldt inderdaad óók voor mannen en vrouwen, maar niet per se uitsluitend. Zeker, de tweede opdracht heeft duidelijk betrekking op de voortplanting: wordt talrijk! Echter, de eerste opdracht “Weest vruchtbaar (of: groeit)!”, heeft zowel in de Hebreeuwse, Griekse als Latijnse bewoording meerdere betekenissen. Denk maar aan Christus’ uitspraak over het voortbrengen van rijke vrucht: 30-, 60- en 100-voudig [Mt 13,23]; (ook) daar gaat vruchtbaarheid echt niet over het krijgen van kinderen!

Hetzelfde geldt voor de derde opdracht: “Vervult de aarde”; dit kan gezien worden als het vullen qua aantal, maar vervullen betekent in de Schrift tevens: het tot voltooiing brengen van de aarde [bijv. Hab 2,14 cf. het vervullen van de mens in Fil 1,10v. Kol 2,10]. Kortom, om te groeien en goede vruchten voort te brengen – van geloof, hoop en liefde – en om de wil van God te vervullen, hoef je niet per se met iemand van het andere geslacht samen te zijn.

Dat scheppingsverhaal in Genesis 1 geeft iedere mens dus welbeschouwd alle ruimte om volledig mens te zijn. Voor het aangezicht van God zijn er diverse mogelijkheden om onze ingeschapen mannelijkheid en vrouwelijkheid waarmee God de mens geschapen heeft verder te ontplooien en om zo als mens te groeien.

Nu is één verhaal uit alleen het Oude Testament – zeker voor christenen – wel ‘een wat smalle basis’, om op verder te bouwen. Daarom is het goed om te ontdekken dat in het Evangelie Christus spreekt over mannen (in die cultuur een logische optiek) die niet huwen met een vrouw. Christus doet dit precies daar waar Hij refereert aan Genesis 2, in het kader dus van het huwelijk tussen man en vrouw [Mt 19,5 cf. Gn 2,24].

Christus noemt hier drie kategorieën mannen die geen vrouw huwen [Mt 19,12]. Hij noemt ze eunuchen, d.w.z. mannen die gecastreerd zijn. In die tijd werden slaven wel tot eunuch gemaakt. Zo vormden zij namelijk geen bedreiging voor de vrouwen in het huis van hun meester. Dit is de tweede kategorie: “eunuchen die door de mensen zo gemaakt zijn.” De derde kategorie is de groep mannen die vrijwillig celibatair leeft omwille van een hoger doel, te weten het Koninkrijk der Hemelen. De eerste kategorie heet evenwel “eunuchen die zo uit de moederschoot geboren zijn.” Dat is raar, want (er zijn hoge uitzonderingen, maar) er is geen kategorie mannen die zonder testikels geboren worden. Wie zou Hij met deze “poëtische” beschrijving bedoelen?

De nadruk in het evangelie ligt op de derde kategorie; Christus wil vooral iets zeggen over de mannen die zich in antwoord op Gods roeping volledig willen wijden aan God en daarom leven als waren zij eunuchen, m.a.w.: zij zien af van vrouw en kinderen [zoals in het jodendom destijds o.a. de Essenen deden]. Maar Christus noemt dus ook twee andere groepen: de eunuchen in de letterlijke zin van het woord en als eersten zij “die zo geboren zijn”. Omdat in sommige vertalingen het woord eunuch met “onhuwbare” wordt vertaald, vatten sommigen de eerst genoemden op als gehandicapten, “the undateables”. Maar dan haal je wel het seksuele eruit, dat toch duidelijk in het woord eunuch vervat is.

Is het ver gezocht om te veronderstellen dat Christus hier doelt op wat tegenwoordig de LGTB-QIA+ gemeenschap heet? We vinden hen echt niet alleen in de Griekse en Romeinse culturen, ook de Rabbijnen schrijven over mannen die “van de zon af gecastreerd zijn” (sijis ghammáh) en ze worden in de Rabbijnse literatuur beschreven als onmanlijke of niet-stoere mannen.

Christus noemt hen in het evangelie, als een feitelijkheid, a matter of fact: geen enkele veroordeling of aanmerking zelfs [cf. Lk 7,1-6a]. Sterker nog, je zou kunnen zeggen: Christus ziet hen; “eunuchen van kategorie één” vormen een volwaardige kategorie mensen, náást de andere: naast man-en-vrouw [Mt 19,1-9], naast de gemarginaliseerde slaven [cf. Hnd 8,26-39] en naast degenen die bewust celibatair leven! [Mt 19,10-12] Ze zijn er en ze mogen er gewoon zijn, volwaardig! In navolging van Christus moeten zij niet (uit schaamte of afschuw) veronachtzaamd, maar gezien worden! In navolging van Christus moeten zij niet doodgezwegen, maar genoemd worden! In de traditie waarin Jezus stond werden zij weliswaar gemarginaliseerd [Dt 23,2], maar Hij wil evengoed voor hen de Goede Herder zijn! [Joh 10,16] In Gods Naam krijgen zij een volwaardige plaats in het Volk van God! [cf. Js 56,3b-5. Lk 7,9]

Vandaag vieren wij dat iedere mens, dat ieder van ons is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis: mannelijk en vrouwelijk. Past het voor menigeen niet helemaal in “het plaatje”? God kan er niet nerveus van worden. Want God, de Schepper, herkent Zich in ieder van ons en is ieder van ons nabij. Allen zijn wij immers van God afkomstig en op weg gezet naar God toe. En niemand valt, of hij/zij valt in Gods hand [cf. Ps 91,11v. W 3,1. Lk 15,11-24. Joh 10,29]. Zo lezen wij de Bijbel als Heilige Schrift en als Goed Nieuws van Godswege: met ontdekkingen en nieuwe inzichten die ons – mij in ieder geval – versteld kunnen doen staan [cf. Ps 8].

Inderdaad, “niet allen begrijpen dat woord, alleen wie het gegeven is” [Mt 19,11]. Christus voedt ons aan Zijn tafel met wijn en brood. Moge Hij ons door deze viering ook voeden met wijsheid en inzicht, met geloof, hoop en liefde over de grenzen heen die wij onszelf en elkaar opleggen – omwille van ons welzijn en omwille van ons heil. Amen.

Mark-Robin Hoogland C.P.

Over de auteur:
Mark-Robin Hoogland is Passionist. Hij was ziekenhuispastor in Utrecht, interimpastor in parochies en studentenpastor in Rotterdam.