Nieuwe atheïstische hufterigheid

0
1777

De nieuwe hufterigheid, het is een begrip in Nederland. In België minder, want Vlamingen zijn te beschroomd om elkaar de huid vol te schelden. Nederlanders zeggen dat wij beleefder zijn, maar dat is het niet, denk ik, wij zijn gewoon niet zo dapper. Of is het, niet zo oprecht? Vlamingen, tenzij zij stand-up comedians zijn, zullen dus niet zo gauw “het recht om te beledigen” claimen. Wij hebben dan ook geen Powned en geen Geen Stijl, waarin het zinloze verbale geweld tot communicatie is verheven.

Dat verbale verschil tussen Nederland en Vlaanderen is nieuwe wijn uit oude wijnstokken. Zo’n vijftig jaar geleden, toen men in Nederland nog keuriger sprak dan in Vlaanderen en deftigheid er de fatsoensnorm was, wisten Nederlanders met souplesse de degens te kruisen. Vlamingen keken toen nog volop naar de Nederlandse televisie, ook in bewondering voor de edele kunst van het debat. Dat mijn noorderburen daar zo bedreven in waren, had natuurlijk te maken met de aloude noodzaak van de verschillende geloven om elkaar te overtuigen of te overtroeven. Schermen met woorden behoorde tot de cultuur van Holland.

Vlaanderen was katholiek, of toch iets dat daarvoor door kon gaan. Wij hadden voor ons geloof nooit moeten uitkomen, dus waren wij ook niet bedreven in debatten. Die werden nochtans georganiseerd op de Vlaamse televisie. Hoe ging dat? De tegenstanders namen hun positie in, dat wil zeggen links en rechts van de moderator, vanwaar zij beleefd groetend ‘en garde’ bleven, zonder een verbale voet vooruit te zetten. Bovenal katholieken in debat met atheïsten blonken hierin uit door altijd weer op zoek te gaan naar de gelijkenis in plaats van de tegenstelling.

Dat leidde vaak tot hilarische c.q. gênante situaties. Ongelovigen hadden vaak een ietsje minder gêne om aan te vallen Zij waren nu eenmaal een minderheid. Op hun riposte kwam evenwel nooit een parade, laat staan een tegenaanval, in het schermtornooi dat het debat volgens de openingszin van de moderator zou worden.

Katholieken reageerden meestal met uitgebreid te vertellen hoeveel eerbied zij wel hadden voor de andere en diens overtuiging. Bovendien, zeiden zij, zij konden best inkomen in de opmerkingen die aan hun adres waren gericht. Eigenlijk, toen zakte hun stem tot complotterende fluisterhoogte, deelden zij die opmerkingen. Uiteraard had zo’n debat niet de bedoeling om het kijkende publiek te laten weten hoezeer men het eens was met elkaar, wisten zij en zij zeiden het ook.

Vandaar dat zij – de katholieken dus, met dien verstande dat de spreker in kwestie uitsluitend in eigen naam en dus niet ‘namens’ sprak – misschien wel enkele kanttekeningen zouden kunnen maken bij de stelling van de gewaardeerde tegenstander die eigenlijk ook geen tegenstander was… Toen zei de moderator dat helaas de zendtijd erop zat en dat de kijker jammerlijk afscheid moest nemen van een debat dat goed op dreef begon te geraken.

Je kunt zo katholiek zijn dat je niet meer katholiek bent, schreef onlangs iemand me. Dat was het dan ook, vijftig jaar geleden. De tijden zijn veranderd. En de zeden dus ook. In Nederland heeft de nieuwe hufterigheid haar plaats veroverd in de debatcultuur. In België is men aan debatteren toe. Inmiddels weten ook Vlamingen dat wij het in wezen niet altijd eens zijn en dat je de tegenstellingen niet overwint door ze te verbergen.

Aangezien niet-katholiek zijn ook in het Vlaamse medialand de norm is geworden, zijn katholieken wel verplicht om zich te verdedigen. Een kleine, maar groeiende groep katholieke intellectuelen is de schaamte voorbij en is bereid het schermvest aan te trekken. Dat hadden hun atheïstische vrienden evenwel niet verwacht. Het gemak waarmee zij in de vroegere debatten de meerdere leken vanwege de terughoudendheid van de katholieke tegenstanders, is verdwenen. Maar dat oude gemak heeft ervoor gezorgd dat de atheïstische argumentatie vaak heel zwak is (er kwam toch geen weerwerk).

Het weerwerk dat er nu wel is, legt die zwakheid bloot. Gevolg: sommige atheïsten – van de soort die men “nieuwe atheïsten” noemt – zijn overgestapt op de communicatiestijl van wat in Nederland “de nieuwe hufterigheid” wordt genoemd. Zij argumenteren niet, zij slaan wild om zich heen. Ik had onlangs het genoegen om zo iemand mee te maken in een debat.

Zijn analyse van godsdienst, in het bijzonder de christelijke, was even vernietigend als simplistisch: godsdienst zorgt voor ellende, leidt tot oorlog, verdrukt de armen, verheerlijkt het lijden, houdt de vooruitgang tegen… Zijn rationaliteit was door zijn hufterigheid zo irrationeel, dat hij het ons erg gemakkelijk maakte. Dat maakte hem woest, zodat hij greep naar de noodrem: “Geef mij één bewijs dat God bestaat!” De tijd was helaas om, zei de moderator.

Geef mij één bewijs dat God bestaat! Ik had enkel de vraag moeten omkeren: “Geef mij één bewijs dat God niet bestaat!” De bewijslast ligt evenzeer, zo niet veeleer, bij de atheïst. Tot mijn verrassing en vreugde is zopas een boek verschenen dat iets gelijkaardigs zegt, ‘God Bewijzen’ van Stefan Paas en Rik Peels (Balans, Amsterdam). Geloof is een volstrekt natuurlijke en redelijke optie die geen verschoning behoeft, schrijven zij. Zo is het.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here