Sterft het christendom echt uit in Nederland?

0
1752
Zandloper op krant

Op 24 januari j.l. gaf Juan Diego Escartín op katholiek.nl zijn mening over de vraag waarom het christendom in Nederland (en in de westerse maatschappij) uitsterft. Volgens hem is geloven te gemakkelijk gemaakt. Het kost niets meer. Men hoeft er niets voor te doen, laat staan vast te houden aan traditionele geloofspraktijken. Maar geloofsgemeenschappen, katholiek of protestant, die wel veel vragen van hun leden, kennen volgens hem een extreme groei. De auteur ondersteunt zijn opinie met een vergelijking: zijn oude dure sneakers waren hem kostbaarder dan dezelfde schoenen in een goedkope uitvoering. Met geloof is dat evenzo. Het mag iets kosten, maar je krijgt er veel voor.

door Henk Witte

Er zit zeker iets in het betoog. Het is bekend dat veeleisende kerken en gemeenschappen groeien in ledental. Escartíns’ argument doet ook denken aan het onderscheid van Dietrich Bonhoeffer tussen goedkope en kostbare genade. Goedkope genade is genade die vergeving benadrukt zonder van de zondaar iets te vragen. Geen bekering, geen discipline, geen bereidheid om lijden op zich te nemen omwille van de gemeenschap. Eigenlijk staat genade dan in dienst van de zonde. Alles kan bij het oude blijven. Genade doet immers alles. Maar, aldus Bonhoeffer, waarin verschilt het leven van een christen dan van dat van de rest van de wereld? Op 9 april 1945 werd het verschil duidelijk, toen Bonhoeffer in Flossenburg werd opgehangen door de Nazi’s.

En toch wringt er iets in het betoog van Juan Diego Escartín. Allereerst is me de verklaring van Escartín te monocausaal. Het is alsof er maar één uitleg is voor het ‘uitsterven’ van het christendom in Nederland: gemakzucht. Zowel gelovigen als priesters geloofden het wel. Maar zijn er niet veel meer factoren in het geding? Met name de invloed van structurele factoren van historische en culturele aard blijft buiten beschouwing.

Bovendien komt het verwijt van gemakzucht over als een beschuldigende vinger. Het gelovige individu treft blaam en priesters hebben alleen maar concessies gedaan en compromissen gesloten. Ook hier is de vraag of er niet veel meer aan de hand was en is. Afgezien daarvan lijkt de auteur zichzelf vrij te pleiten van het verwijt van gemakzucht. Ik gun hem de wijze waarop hij zijn geloof beleeft. Maar ik hoop ook dat hij zijn wijze van beleven niet beschouwt als het enig ware katholicisme dat andere katholieken zouden moeten overnemen. In dat geval is de ketterij van het donatisme dichtbij, de ketterij van de ‘zuiveren’ (in het Grieks katharoi, ons woord  ‘ketter’ komt ervandaan) die hun vorm van geloven als norm wilden opleggen aan andere gelovigen. Zij zijn destijds volop bestreden door Augustinus.

Er wringt bij mij nog iets aan het betoog van Juan Diego Escartín. Dat is de richting waarvan hij soelaas verwacht, namelijk het strikt vasthouden aan traditionele geloofspraktijken en tradities. Kan het ook anders? Is het ook mogelijk goed en eerlijk katholiek te zijn en veel ervoor over te hebben, maar met andere geloofspraktijken dan de traditionele?

Het is dan ook jammer dat in de opinie van Escartín niet iets meer kennis doorklinkt van de geschiedenis van het Nederlands katholicisme. Het feit bijvoorbeeld dat Nederlandse katholieken zich als groep pas maatschappelijk konden emanciperen, nadat zij in 1795 door de wet als gelijkberechtigd erkend waren, heeft grote invloed, nog steeds. Het leidde anderhalve eeuw lang, tot ongeveer 1960, tot nadruk op de groep. De emancipatie van het collectief had prioriteit. De afwerende houding van de Katholieke Kerk ten opzichte van ‘de wereld’ en andere christelijke gemeenschappen in diezelfde ‘lange negentiende eeuw’ kwam de Nederlandse katholieken goed uit. Ruimte voor emancipatie van het individu kwam er pas nadien. Dat gebeurde precies toen de Katholieke Kerk zich tijdens het Tweede Vaticaans Concilie losmaakte uit haar behoudende opstelling ten opzichte van de buitenwereld en zich oecumenisch engageerde.

Zich emanciperende individuen maken verschillende keuzes, ook als gelovigen. Zij verlieten de kerk, kozen voor een lossere verbinding of kwamen juist, zoals Vaticanum II het noemt in de Pastorale Constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd, tot een ‘met de dag meer persoonlijke en actieve geloofsovertuiging’ (nr. 7). Ondertussen was de samenleving functies gaan behartigen die in de tijd van de verzuiling door de kerk werden waargenomen. Het drukte de kerk terug op haar religieuze kerntaak: mensen in contact brengen met God en God in contact brengen met mensen. Men kan zich afvragen of zij daar, toen het erop aankwam, wel zo goed in was. Een richtingenstrijd zorgde bovendien voor een polarisatie die nog steeds niet voorbij is en gelovigen kopschuw maakt als het om engagement gaat. Ook de (noodzakelijke), veelal drastische  herstructurering van parochies laat wonden na. In een dergelijke context is het verwijt van gemakzucht te gemakkelijk.

Sterft het christendom in onze contreien inderdaad uit? Of heeft eerder een bepaalde gestalte van de kerkelijke bemiddeling van het christelijk geloof haar langste tijd gehad? Soms vraag ik geëngageerde gelovigen wel eens naar de plaats van de kerk in hun religieuze biografie. Zijn zij naar de kerk toe aan het groeien, van de kerk weg, of aan de kerk voorbij? Opvallend is de ruimte die vooral een oudere generatie ervaart bij dit ‘aan de kerk voorbij’. Zij zoeken andere vormen van bemiddeling van het Godsgeheim. Wat de kerk vraagt en aanreikt, brengt hen niet langer in contact met dat geheim. Zij organiseren zich liever in inspirerende netwerken dan in het verenigingsmodel dat de huidige kerkelijke organisatie kenmerkt en dat toch ook nodig is. Het zou daarom de moeite waard zijn als de bisdommen zowel een kerkelijk leefbaar parochiestelsel als een katholiek netwerkstelsel zouden ondersteunen en bevorderen.

Er is nog iets gaande. De katholieke kerk in Nederland wordt steeds internationaler. Niet alleen omdat hier steeds meer priesters met een buitenlandse achtergrond werken. Maar ook dankzij de toestroom van migranten: vluchtelingen, arbeidsmigranten en hoogopgeleide kennismigranten. Zij komen overal vandaan. De Holy Mass in English in grote steden wordt druk bezocht, ook door katholieken met een oorspronkelijk Nederlandse achtergrond. Katholieken van elders nemen hun wijze van geloven en kerk-zijn mee. Nederlandse hebben de hunne. Ik ben benieuwd wat er uit deze mix van katholicisme uit Nederland en van elders gaat ontstaan. Het heil dat Juan Diego Escartín van een strikt traditionele geloofspraktijk verwacht is zeker niet dé oplossing, maar ongetwijfeld een bijdrage in een veelstemmig geheel.

Prof. dr. Henk Witte is emeritus van de Tilburg School of Catholic Theology. Hij doceerde onder meer ecclesiologie en was bijzonder hoogleraar op de Xaverius-leerstoel voor spiritualiteit en theologie vanuit ignatiaans pespectief.