Op 29 juni 1867, honderdvijftig jaar geleden, was Rome in rep en roer. De Sint Pieter was binnen luisterrijk versierd met onder meer banieren, schilderijen, kaarsen en ontelbare kroonluchters.  Op diverse plaatsen waren schilderingen aangebracht die betrekking hadden op de feestelijke gebeurtenissen die zouden plaatsvinden. Het grote Sint Pietersplein buiten was bestrooid met zand, bladeren en allerlei soorten bloemen.

Boven de hoofdingang van de kerk was een enorme wereldbol van groen gebladerte aangebracht. Daarboven een groot banier met een afbeelding van de martelingen van Petrus en Paulus, 1800 jaar eerder. Niet alleen stond een herdenking van de marteldood van het tweetal op het pauselijk programma, maar ook zeven afzonderlijke heiligverklaringen, waaronder, belangrijk voor Nederland, die van de negentien Martelaren van Gorcum.

Aan de gebeurtenissen van die dag, de achtergronden van van de moordpartij in Nederland, de martelaren afzonderlijk, het proces van hun heiligverklaring, de politiek-religieuze context en wat er op 29 juni 1867 allemaal gebeurde, is het boek Gehangen heiligen. De martelaren van Gorcum gewijd dat nu, anderhalve eeuw na de canonisatie, door Berne Media gepubliceerd is. De sfeertekening van Rome is eruit afkomstig.

9 juli 1572

Op 9 juli 1572, een zwarte dag in de Nederlandse geschiedenis, ging het er verre van feestelijk aan toe. Een groep religieuzen was bij de inname van Gorcum door de Nederlandse opstandelingen (watergeuzen) gevangen genomen, mishandeld en overgebracht naar Den Briel. Een poging op 8 juli van Lumey c.s. om de gevangenen er toe te brengen zich te ‘bekeren’ tot de religieuze overtuiging van de nieuwe machthebbers, liep op niets uit. Een dag later werden de negentien door de geuzen in het donker van de nacht in een schuur om het leven gebracht. Vandaar Gehangen heiligen.

In het boek is over die nacht te lezen: “Om 1 uur werden de gevangenen twee aan twee aan de armen gebonden weggevoerd. Ze werden opgehangen aan twee balken, een lange en een korte. De terechtstelling gebeurde tussen 2.00 en 4.00 uur. Zo lang mogelijk bemoedigden de leiders de anderen. In de morgen werden de lijken door de geuzen verminkt.

Om 3 uur in de middag kwam de stadspensionaris van Gorcum op de plaats van de terechtstelling en walgde van de barbaarse verminkingen. Tegen betaling van een som geld lukte het hem toestemming voor de begrafenis van de doden te krijgen. In de nacht begroeven de geuzen haastig de martelaren op de plaats van de terechtstelling in twee graven, direct onder de galgen”.

De godsdienstoorlogen in de zestiende eeuw verliepen overal in West-Europa met grof geweld en veel bloedvergieten. De gebeurtenissen in Gorcum en Brielle vormden geen uitzondering. Enkele weken later werden in Parijs tijdens de Bartolomeus-nacht (23-24 augustus) vele duizenden protestanten door katholieken over de kling gejaagd.

De Martelaren van Gorcum werden een symbool van de onderdrukking van de katholieken in Nederland. In 1675 werden ze door paus Clemens X (r. 1670-1676) zalig verklaard. De zaligverklaring was een eerste stap. Het duurde evenwel nog bijna twee eeuwen voordat de martelaren definitief als heiligen vereerd konden worden.

 

Herstel van de katholieke hiërarchie in Nederland

In het tijdperk van de Franse Revolutie, rond 1800, werden de katholieken in Nederland op één lijn gesteld met de protestanten. Ondanks dat bleef Nederland een missiegebied. Maar in de negentiende eeuw wisten de aanhangers van het katholieke geloof steeds betere posities in te nemen in onze samenleving. Dat resulteerde anno 1853 in het herstel van de katholieke hiërarchie. Ondanks de april-beweging, een hevig protestants protest, zette de emancipatie van het rooms-katholieke geloof door.

In de katholieke literatuur werd tientallen jaren lang de indruk gewekt dat de nieuwe bisschoppen er alles aan gedaan hebben – en met succes – om de Martelaren van Gorcum nu eindelijk eens heilig te verklaard te krijgen. Dat was toch de bekroning van de ‘ware nationale wedergeboorte’ van het geloof in 1853.

De vermaarde katholieke historicus L.J. Rogier bijvoorbeeld besteedde in zijn standaardwerk In vrijheid herboren 1853-1953 diverse grote bladzijden – met bijbehorende pagina-grote illustratie – aan de rol die met name bisschop Wilmer van Haarlem speelde. “Het herstelde bisdom Haarlem was een nauw met de Heilige Stoel verbonden centrum van actie geworden. Het gaf leiding en maat aan het proces van heiligverklaring. Het wetenschappelijk onderzoek van degelijke geleerden als professor J.W.L. Smit (Warmond) en de Franciscaan N.F. Nieuwenhuizen werd met de canonisatie bekroond”.

 

Het archief-onderzoek van Hans de Valk

Bij de speurtochten in de archieven van het Vaticaan voor zijn proefschrift (Roomser dan de paus?, 1998) ontdekte historicus Hans de Valk dat het er heel anders was toegegaan. Vanuit Nederland was er juist ‘alles’ aan gedaan om de heiligverklaring af te gelasten of in elk geval uit te stellen.

In het nieuwe boek is die alsnog verworven kennis verwerkt. Bisschop Wilmer van Haarlem dacht daarmee een herhaling van de gebeurtenissen van april 1853 te voorkomen. Ook het kabinet Thorbecke gaf opdracht aan de Nederlandse gezant bij de Heilige Stoel afstel of in ieder geval uitstel te bewerkstelligen. Al deze pogingen bleven echter zonder het gewenste resultaat. Want juist in Rome bestond behoefte de wereld van het bestaan van de Kerkelijke Staat te laten zien! Het einde van de wereldlijke macht van de paus kwam steeds meer in zicht, want het streven naar eenwording van Italië, ten koste van de Kerkelijke Staat, bleek niet te stuiten”.

 

De agenda van paus Pius IX

Paus Pius IX had dus een andere agenda. De bezwaren uit Nederland waren voor hem van minder belang. “Een groots opgezette collectieve viering van een aantal heiligverklaringen, en dan nog wel van martelaren die voor het geloof ter dood waren gebracht, leek de paus een passend signaal. Hij bleek [zelfs] bereid in ruime mate dispensatie van de geldende regels te verlenen”.

Dat had Pius IX al eerder gedaan bij de heiligverklaring van 26 Japanse martelaren in 1862. “De paus was bereid om voor de heiligverklaring van de Martelaren van Gorcum (en enkele andere martelarenzaken van veelal oudere datum) af te zien van de voor een dergelijk proces gebruikelijke verdere documentatie en aanvullende wonderen. Men kon zich baseren op het al beschikbare materiaal. Die ingreep opende de mogelijkheid om het proces spoedig tot een goed einde te brengen”.

Toch was er nog enig uitstel. Niet zozeer als gevolg van de protesten van Nederlandse bisschoppen, maar vanwege een cholera-epidemie in Zuid-Italië, waarbij ruim 32.000 mensen om het leven kwamen. De dag van de officiële heiligverklaring werd tenslotte bepaald op zaterdag 29 juni 1867.

 

Aanloop tot de heiligverklaring

Roy Tepe, gastconservator van het Gorcums museum, brengt in Gehangen heiligen mooi in beeld hoe het er toeging. Niet alleen prelaten speelden een rol. In de Kerkelijke Staat waren vele honderden landgenoten in de weer om de wereldlijke macht van de paus gewapenderhand te verdedigen tegen de Italianen die het land wilden verenigen.

In het Colosseum werden 700 zoeaven, de benaming van de pauselijke soldaten, maar ook pelgrims uit Nederland al op 17 juni 1867 door drie vaderlandse bisschoppen, onder wie bisschop Wilmer, toegesproken. Bovendien was er drie dagen later ter gelegenheid van Sacramentsdag een grote processie. “Zoiets schoons hebben wij nog nooit gezien”, meldde een van de zoeaven aan het thuisfront.

Het was dan ook een indrukwekkende stoet die door de straten van Rome trok op 20 juni 1867: vertegenwoordigers van talrijke kloosterorden, ongeveer 1700 paters, meer dan 300 bisschoppen uit alle werelddelen, allen met een brandende kaars in de hand. Daarachter 52 kardinalen, in vol ornaat, de pauselijke senaat (prinsen, hertogen en graven met hun vrouwen en kinderen). Dan eindelijk de paus, op zijn troon gezeten, gedragen door achttien edellieden, en tenslotte de pauselijke troepen, een onafzienbare rij zoeaven, aldus Tepe.

“Zo trok dan deze processie door Rome’s straten, onder het gelui van de grote Sint Pietersklok, het gebulder der kanonnen en het spelen van muziekgezelschappen. Het duurde vier lange uren voordat deze processie voorbijgetrokken was”.

Dagenlang stond Rome in het brandpunt van de (katholieke) wereld. Bisschop Wilmer en een aantal Nederlandse genodigden, aldus het verslag, werden door Pius IX in een speciale audiëntie ontvangen. Bij die gelegenheid werd hem een nieuw uitgekomen Nederlandse plaat van de Martelaren van Gorcum overhandigd.

Op de zondag vóór de dag van de heiligverklaring droeg bisschop Wilmer een ‘militaire mis’ op voor de in de pauselijke staat verblijvende zoeaven. Op 25 juni wendde Pius zich tot de buitenlandse priesters die naar Rome gekomen waren voor het feest van 29 juni. In totaal zouden er zo’n tienduizend geweest zijn.

Elke dag gebeurde er wel iets belangrijks. Op 26 juni was Pius IX opnieuw aan het woord. De paus bracht de aanwezige kardinalen, patriarchen, aartsbisschoppen en bisschoppen op de hoogte van de moeilijke positie waarin de Kerk en de Kerkelijke Staat op dat moment verkeerden. Bij die gelegenheid kondigde hij aan dat er een algemeen concilie in het Vaticaan gehouden zou worden. Zo’n concilie was er na Trente (1545-1563) niet meer geweest. De katholieke Kerk bevond zich naar het oordeel van de paus blijkbaar in een kritieke fase, vergelijkbaar met de ontwikkelingen als gevolg van het optreden van Luther en de daarop volgende godsdienstoorlogen.

Op 28 juni gaven kanonsschoten vanaf de Engelenburcht en het luiden van de klokken van de Sint Pieter het startsein voor de feestelijkheden rond de heiligverklaringen. Tepe in het boek: “’s Middags begaf de paus zich, voorafgegaan door kardinalen, prelaten en bisschoppen in processie naar de Sixtijnse kapel en zong daar de eerste vespers. ’s Avonds, na het Ave Maria, werden de koepel, de voorgevel en de zuilengalerij met 5.000 witkleurige Venetiaanse lantaarns verlicht, later op de avond door een schitterend vuurwerk. Men schatte het aantal aanwezigen op 200.000”.

 

De heiligverklaring op 29 juni 1867

(Afbeelding: A. Winkel, triptiek van de Martelaren van Gorcum)

De grote dag was natuurlijk zaterdag 29 juni. De auteurs van het boek Gehangen heiligen maakten nog eens duidelijk dat die dag niet alleen de Martelaren van Gorcum gecanoniseerd werden. Ze waren een deel van de pauselijke agenda. “Op diverse plaatsen in de Sint Pieter waren schilderingen met betrekking tot de nieuwe heiligen aangebracht. Voor wat de Martelaren van Gorcum betreft werden, behalve een afbeelding van de martelingen en twee voorstellingen van de tenhemelopneming, zes wonderen afgebeeld”.

Vanuit ons land was mgr. I.A. Schaepman overgekomen als vertegenwoordiger van aartsbisschop Zwijsen, die zich had verontschuldigd. Andere Nederlanders waren bisschop Wilmer van Haarlem, pastoors van plaatsen die een relatie hadden met de Martelaren van Gorcum (Weert, Weelde, Oisterwijk), bloedverwanten van de martelaren en dergelijke. Nederlandse zoeaven verzorgden een erewacht rond de troon waarop de paus plaatsnam.

Rond zeven uur formeerde zich een processie op het binnenterrein van het Vaticaan – een bijna eindeloze rij van hoogwaardigheidsbekleders: herauten met het pauselijk wapen, religieuze ordes met hun banieren, studenten, betrokkenen bij de processen tot heiligverklaring (consulenten, advocaten, leden van de Ritencongregatie, enzovoort).

Daarachter banieren met afbeeldingen van de aanstaande heiligen. Tepe: “Die van de Martelaren van Gorcum waren voorzien van koorden, vastgehouden door de familieleden en omgeven door geestelijken van de ordes [waar de martelaren lid van waren]”.

Dat was nog maar het begin. “Deze groep werd gevolgd door personeel van de pauselijke administratie en dragers van de pauselijke insignes. Hierna kwamen meer dan 450 bisschoppen, aartsbisschoppen en patriarchen, uit alle delen van de wereld. Vervolgens de kardinalen, het stadsbestuur van Rome, leden van de pauselijke hofhouding en de hoofdofficieren van de verschillende pauselijke corpsen. Daarop volgde de paus in zijn draagstoel, onder een rode troonhemel, omringd door de pauselijke gardes. Hij droeg een gouden mijter, in zijn hand een brandende kaars. Hij werd gevolg door leden van de pauselijke hofhouding en generaals van de religieuze ordes.

Na de processie naam Pius IX plaats op zijn troon. Tijdens de eigenlijke ceremonie vroegen de kardinaal-procurator, een consistorie-advocaat en een pauselijke cermoniemeester aan de paus om de zaligen op te nemen in de lijst van heiligen.

De procedure bij zo’n gebeurtenis stond vast. Een prelaat van de curie antwoordde dat de paus, alvorens zo’n belangrijke beslissing te nemen, alle aanwezigen vroeg om daarvoor te bidden.

– Geknield werd de Allerheiligenlitanie gezongen.
– Het drietal herhaalde daarna het verzoek, maar nu ‘met meer nadruk’.
– De prelaat antwoordde op soortgelijke wijze. Na een gebed van de paus in stilte en het door hem aanheffen van het ‘Veni Creator Spiritus’, volgde een derde verzoek tot heiligverklaring: ‘met de grootste nadruk’.
– De paus bleek tenslotte bereid te zijn om te doen wat hem gevraagd werd.

“Alle aanwezigen gingen staan, waarna de paus zelf verklaarde en vaststelde dat de betreffende zaligen ‘heilig’ waren en werden toegevoegd aan de lijst van heiligen. Hij bepaalde ook dat hun feestdag door de gehele Kerk zou worden gevierd”.

Dat was het moment waar het om begonnen was. De Martelaren van Gorcum waren officieel heiligen geworden. Daarmee waren kerkelijke feestelijkheden in en buiten de Sint Pieter echter nog lang niet afgelopen. Na een aantal formaliteiten zette de paus het Te Deum in, dat door een koor werd voortgezet. Op dat moment klonken kanonsschoten, afgevuurd vanaf de Engelenburcht. De klokken van de Sint Pieter werden geluid. Alle kerken namen het over. Een uur lang hoorde je in Rome het luiden van de klokken.

Na nog meer plechtigheden, waaronder de pausmis, en natuurlijk de pauselijk zegen, was er ’s avonds een groots vuurwerk. Heel Rome was verlicht. “Het was verrukkelijk” schreef een van de aanwezige Nederlandse zoeaven aan zijn familie.

 

Nederland

In ons land werden de gebeurtenissen in Rome op aanzienlijk meer bescheiden wijze door de katholieken gevierd. Nederland was immers een protestants land. Niet voor niets hadden de bisschoppen zich terughoudend opgesteld tijdens het proces van heiligverklaring. De auteurs van het boek, onder wie Henrik Roelvink, gardiaan van de communiteit van de Franciscanen te Nijmegen, moesten zelfs concluderen: “Of de heiligverklaring ook op of rond 29 juni 1867 in Gorcum werd gevierd, blijft onduidelijk”.

Bij de herdenking in 1917, vijftig jaar later, liet bisschop Callier van Haarlem weten dat er vanwege de tijdsomstandigheden (Eerste Wereldoorlog, 1914-1918) afgezien zou worden van grootse feesten. Een feestelijke herdenking in Brielle zou ‘tot betere dagen’ moeten worden uitgesteld omdat de spoorwegen geen extra treinen voor de pelgrims beschikbaar konden stellen. Wel kon in de eigen kerken aan het jubileum aandacht worden besteed, schrijft Tepe.

Er waren wel degelijk feestelijke activiteiten, maar meestal op kleine schaal. Zo werd in Bergen op Zoom ‘als culminatie van de viering en huldiging der Nederlandse martelaren’ een lange ‘optocht van Roomse mannen en vrouwen’ gehouden. De plaatselijke harmonie speelde processiemuziek. Langs de route stonden honderden belangstellenden.

Naar Brielle werden bovendien bedevaarten georganiseerd. Dat verliep niet altijd soepel. Vanuit Gorcum zouden ruim 400 pelgrims de reis ondernemen in 1917. Tepe: “Een dag tevoren bleek dat de stoomboot niet mocht varen, formeel vanwege de kolenschaarste, maar mogelijk hadden anti-katholieke machten de vaart verhinderd. Pas in 1923 vond de eerste bedevaart uit Gorcum plaats, met 25 deelnemers”.

De herdenking van de heiligverklaring in 1967, honderd jaar na de gebeurtenissen in Rome, stelde nauwelijks iets voor. Tepe: “J. ten Have, deken van Brielle klaagde over een aflopende zaak. Je ziet geen 10 pelgrims meer per dag”.

De katholieke geestelijke gaf kunstschilder Heman opdracht een schilderij te maken waarop de godsdienstoorlog in Nederland niet alleen vanuit katholiek maar tevens protestants perspectief uitgebeeld werd. Op het schilderstuk niet alleen de negentien geestelijken die ter plaatse omgebracht waren, maar ook een pastoor die in 1557 vanwege zijn reformatorische denkbeelden tot de brandstapel veroordeeld was. Het schilderij werd in de pastorie opgehangen, niet in de kerk van Brielle. Een mooi inkijkje in het culturele handelen van ons land.

Tot slot

In onze tijd, 2017, anderhalve eeuw na de heiligverklaring en 445 jaar na de moordpartijen van katholieken en protestanten van 1572, is er een interessant en uitermate mooi verzorgd boek verschenen over de religieuze aspecten van de gebeurtenissen in Gorcum, Brielle en Rome.

De meeste Nederlanders leven heden ten dage in een seculiere wereld. Steeds meer kerken verdwijnen uit de samenleving. Maar religie is niet verdwenen. Moskeeën worden in elk geval volop gebouwd. Evenals in de zestiende eeuw, ten tijde van de Martelaren van Gorcum, is er sprake van grof geweld met veel bloedvergieten; van de dood van volkomen onschuldige mensen en het radicalisme van hen die een ander geloof in de westerse wereld willen tot stand brengen.

In zijn inleiding stelde Rob Hoogenboom OFM, minister provinciaal van de Nederlandse Provincie van de Orde der Minderbroeders Franciscanen, deze kwestie meteen aan de orde. Hogenboom: “In de beschrijving van wat zich in 1572 afspeelde […] kunnen wij onze tijd herkennen. […] Mogen de Martelaren van Gorcum de voorsprekers zijn voor allen, christen of niet, die in onze dagen worden vervolgd”.

In de hedendaagse geschiedbeoefening is er betrekkelijk weinig belangstelling voor de rol van het christelijk geloof. Als historicus spreek ik uit eigen ervaring. Toch kunnen we er veel van leren over het menselijk handelen. Het interessante boek Gehangen heiligen had, bij wijze van spreken, in geen beter jaar kunnen verschijnen.

 

Henrik Roelvink ofm., Roy Tepe, Henk Lugtenburg, Ton Peters ofm. – ‘De martelaren van Gorcum, Gehangen heiligen’ – Berne Media, uitgeverij Abdij van Berne Heeswijk-Dinther – € 19,95