De Pius X-Broederschap heeft niet tot doel de traditie weer een plaats te geven in de rooms-katholieke Kerk, maar wil de besluiten van het Tweede Vaticaans Concilie terugdraaien. Dat betekent niet alleen dat de priester zich tijdens de mis weer van het kerkvolk moet afwenden, maar ook dat de Kerk terugkomt op haar positieve houding ten opzichte van de democratie, de godsdienstvrijheid en andere religies, met name het joodse geloof.

Toch beweert José Orlandis in ‘Geschiedenis van de katholieke Kerk in de tweede helft van de 20ste eeuw’ dat de broederschap een beweging is van ‘katholieke restauratie die de volledige trouw van de Kerk aan haar ware traditie wilde herstellen en van haar “moderne dwalingen” bevrijden.’ Hij noemt het een paradox dat deze beweging door het onverstandige besluit van haar stichter aartsbisschop Marcel Lefèbvre om zelf priesters en bisschoppen te wijden een schisma over zich heeft afgeroepen en dat andere critici van de Kerk dat lot niet heeft getroffen.

Met die andere critici bedoelt Orlandis onder anderen de theoloog Hans Küng: een representant van de protestbewegingen die ‘tegenover de aanhangers van Lefèbvre staan en heel wat luidruchtiger tegen Rome ingaan, tegen de persoon en de autoriteit van de paus, en het fundamentele onderricht van het leergezag’. Met verbazing constateert Orlandis dat deze ‘tot nu toe kerkrechtelijk gezien nog geen formeel schisma’ veroorzaakt hebben.

Kritiek op de paus is dus volgens Orlandis niet toegelaten, tenzij die kritiek van ultra-conservatieve zijde komt. Tot zo ver het streven naar objectiviteit van deze kerkhistoricus.

Zijn absolute trouw aan het pauselijk gezag komt ook naar voren in de opzet van het boek. Het grootste gedeelte is gewijd aan de woorden en daden van de pausen van Pius XII tot Johannes Paulus II – de oorspronkelijke versie van het boek verscheen in 1998 en is voor deze Nederlandse vertaling nauwelijks geactualiseerd. Braaf lepelt Orlandis op wat ze allemaal gedaan en geschreven hebben.

Kerkhistorici zijn volop bezig met het verwerken van het Tweede Vaticaans Concilie en van de discussie die daarna losbarstte over de toepassing van de besluiten van het Concilie. Orlandis gaat hier nauwelijks op in want discussie is voor hem kritiek op de paus en dat mag niet.

Ook ontkomen kerkhistorici er tegenwoordig niet meer aan om de geschiedenis van de Kerk te beschouwen tegen de achtergrond van de ontwikkelingen in de maatschappij in het algemeen. Dat doen ze zelfs graag want daardoor worden de ontwikkelingen in de Kerk zelf duidelijker.

Orlandis heeft hier iets van meegekregen en heeft een duidelijke mening over die maatschappelijke ontwikkelingen, vooral als het gaat om de westerse wereld. Daar heeft het ‘secularisme’ toegeslagen. Door de toegenomen welvaart streven de mensen daar alleen nog maar naar genot, onder invloed van de slechte voorbeelden die ze in de media zien. Dat had ‘een verwoestend effect op het gebrekkig gevormde geweten van veel eenvoudige mensen’.

Daar heeft hij een punt waar kerkhistorici zich tegenwoordig over buigen: is de snelle afkalving van het kerkelijk gezag niet te wijten aan een oppervlakkig geloof? Maar Orlandis gaat voorbij aan die discussie. ‘Consumptiedrift, mateloos verlangen naar welzijn, obsessief hedonisme en praktisch materialisme’ hebben geleid tot kerkverlating onder ‘grote lagen van de bevolking die slecht gevormd zijn en zwakke persoonlijke overtuigingen hebben’. Hoe het kan dat die grote lagen van de bevolking zo slecht gevormd zijn, heeft hij zich waarschijnlijk nooit afgevraagd.

Op het grootste deel van het boek valt weinig aan te merken. Dat kan ook niet als je feiten weergeeft en de inhoud van pauselijke documenten. Enkele onderwerpen weet Orlandis zelfs heel adequaat te behandelen: zo legt hij in kort bestek heel duidelijk uit hoe het kan dat de rooms-katholieke Kerk voorstander is van godsdienstvrijheid, maar dat dit niet betekent dat het niet meer uitmaakt of je al dan niet katholiek bent. En ook de paragraaf over de verhouding tussen Kerk en wetenschap is verhelderend. Soms heeft hij zo zijn heldere momenten.

Maar het boek als geheel is vooringenomen en geeft de huidige stand van zaken in de kerkgeschiedenis niet weer. Dat kan ook bijna niet, want het dateert uit 1998. De voetnoten die de vertalers hebben toegevoegd zijn onvoldoende om het bij de tijd te brengen.

Want dat is de ellende met eigentijdse geschiedenis: je hoeft maar een paar jaar verder te zijn en het perspectief op de gebeurtenissen is helemaal veranderd. Sinds 1998 hebben we het pontificaat van Benedictus XVI gehad en de verkiezing van Franciscus om nog maar te zwijgen van de misbruikschandalen die aan het licht zijn gekomen.

Dat komt er dus ook nog eens bij. Conclusie: als inleiding in het vakgebied van de kerkgeschiedenis deugt dit boek niet.

José Orlandis, Geschiedenis van de Katholieke Kerk in de tweede helft van de twintigste eeuw, Utrecht 2011, 320 p. Isbn 90 6257 086 0.

Foto José Orlandis De Hard – Trabajo propio, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=48816751