Hoe is het mogelijk dat twee religieuzen die van elkaar gescheiden waren door een ferme generatiekloof en bovendien een andere spiritualiteitsbeleving hadden, hun harten naar elkaar neigden in hun briefwisseling en daarbij getuigden van een vriendschapsrelatie die zonder weerga is? Het antwoord is krachtig en verhelderend. Hoewel de twee religieuzen verschillende wegen bewandelden, raakten ze elkaar in wat er echt toe doet in het spirituele leven: de opgang naar God.

De onlangs gestorven broeder Avellinus Janssens was van 1958 tot 1970 generaal-overste van de congregatie van de Broeders van Maastricht. Hij werd honderd en één jaar oud. Zuster Zoë Cranssen behoorde in de periode dat ze met broeder Avellinus correspondeerde tot een benedictijnse gemeenschap maar ze leeft tegenwoordig als ‘godgewijde maagd’. Ze is vijftig. Het grote leeftijdsverschil weerhield hen niet om elkaar nabij te komen in diep wederzijds begrip.

Met de bundeling van hun brieven wilde de uitgever vooral onderstrepen dat mensen vriendschap nodig hebben om uit te groeien tot volwaardige getuigen van Gods liefde, ook al lijkt die band een ietwat vreemd gegeven voor buitenstaanders. De oude broeder geeft in meerdere brieven toe dat bepaalde mensen een inspirerende invloed hadden voor hem. Die mensen hielpen hem om van een ‘bekrompen Godsbeeld’ tot een ‘mildere, open houding’ te komen. Bij die ‘invloedrijken’ hoorde zuster Zoë. Voor haar was de relatie met broeder Avellinus dan weer een ‘Godsgeschenk’. Maar beiden spreken van een ‘vriendschapsliefde’. Valt dat te rijmen met de kloostergeloften die ze trouwens elk op een eigen manier invulden? Ongetwijfeld wel, zal de lezer na lectuur van het boek moeten toegeven.

Er waren periodes – ze liggen niet in een ver verleden – dat al te nauwe banden met anderen niet aangemoedigd werden. Maar er zijn ook tradities, die van het middeleeuwse monnikendom bijvoorbeeld, waarin mooie gedachten over vriendschap gepromoot werden. In die stroom staat de briefwisseling van Avellinus en Zoë. Ze laat zien dat een intermenselijke relatie, soms tegen beter weten in, haar grondslag in God kan vinden. Ze kan ons dichter bij God brengen. Dan is het niet ongepast om het woord ‘liefde’ te gebruiken.

De brieven zijn intiem, maar we ze leest, heeft niet het gevoel een voyeur te zijn. Integendeel, ze doen delen in de opgang naar God van twee oprechte Godzoekers. Zuster Zoë schrijft: “In zijn lieve hart is broeder Avellinus een echte zielzorger. Jezus is de centrale figuur in zijn leven. In alles wat hij doet en zegt is dat voelbaar.” Hij schrijft op zijn beurt aan haar: “Ik ben gerust dat jij de goede weg bewandelt. Ik loop met je mee, we laten elkaar zeker niet los. Jezus houdt jou vast, samen vinden we het beste voor jou.” In deze taal die religieuze gevoelens nooit zonder emoties vertolkt, worden ook zware onderwerpen als eenzaamheid, gemeenschap, sterfelijkheid en twijfel bespreekbaar: hoopvol, vertrouwvol en gelovig.
Het boek is niet alleen inspirerend voor religieuzen, maar voor iedereen die durft zijn dierbaren als Godsgeschenk te zien of zijn meest intieme relaties in het licht van de zoektocht naar God plaatst. Relaties winnen immers aan kracht als ze een opgang naar God worden, en het zoeken naar God krijgt ‘gezicht, geur en kleur’ zodra onze inspiratie niet alleen enkel uit gedistantieerde bronnen en abstracte wegen komt, maar gevoed wordt door een concreet ‘tegenover’, een mens met wie we ons door een diepe ‘vriendschapsliefde’ verbonden weten.

Avellinus Janssens & Zoë Cranssen, ‘Een vriendschapsliefde als opgang naar God’ | Uitgeverij Berne Media, 2017 | € 24,90

 

Bron: De Kovel