De stroom boeken over de krimp van de kerk en de (interne) visie wat ‘we’ daar aan moeten doen zwelt aan. In God is verhuisd schrijven Petra Stassen en Ad van der Helm klip en klaar waar het aan schort, maar weten geen concrete oplossing te bieden.

Het water staat steeds meer aan de lippen bij lokale geloofsgemeenschappen, of ze nu van katholieke of protestantse huize zijn. De kerkjuristen Stassen en Van der Helm wilden dit boek schrijven voor hen die zo toegewijd zijn aan de basis van de kerken in een tijd van een ‘fundamentele en inhoudelijke crisis’. Ze willen mensen uitnodigen de handschoen op te pakken om oude en vertrouwde vormen los te laten en te zoeken naar nieuwe gelovige gemeenschappen.

Het schrijversduo kiest daarbij een organisatorisch perspectief. Dat is waardevol, want tot op heden zagen we vooral theologische verkenningen (zoals bij Erik Borgman en Stefan Paas).

En ze staan er hard en helder in. Een paar voorbeelden:

‘De visie op bestuurlijke schaalvergroting lijkt vooral ingegeven door krimp en bezuiniging en ontbeert een inhoudelijke, pastorale visie op de toekomst. Op dat terrein blijven kerkelijke leiders vaak opvallend stil. Dit zwijgen duiden wij als een gebrek aan geloof in de eigen boodschap’.

‘Men beperkt zich liever tot de slinkende groep gelovigen die het geloof en de christelijke moraal nog wel verstaat en die zich verbindt aan de kerkelijke gemeenschap. Dit betekent echter capitulatie en dat men zich als kerk neerlegt bij een sektarisch bestaan.’

‘Wat in elk geval ontbreekt, is een gelovig perspectief van de leiding.’

‘Kerken zijn veel minder toegankelijk dan mensen in de kerk zelf veronderstellen. Zij zetten de deur open (soms niet meer dan een zijdeurtje) en wachten af tot de mensen komen. Ze vinden het vreemd dat mensen de weg niet weten te vinden.’

‘ “Het gaat toch niet om de aantallen, maar om de kwaliteit!” wordt vergoelijkend opgemerkt, terwijl de inhoudelijke uitstraling erg zwak geworden is en de criteria voor kwaliteit in een onbewust proces naar beneden zijn bijgesteld.’

‘Er is te weinig creativiteit en ondernemerschap. (…) Nieuwe dingen worden als risicovol en dus eng bestempeld.’

‘Pastores en kerkbestuurders zijn bang voor emoties, ze willen liever de rust bewaren en vertonen daardoor vermijdend gedrag’.

Bam. 7-0.

Stassen en Van der Helm winden er geen doekjes om en in die analyse zijn ze zeer sterk. Je kunt niet om hun conclusies en observaties heen. Conclusies die ik deel. En die veel lezers herkennen. Zijn ze daarmee cynisch? Geenszins. Je proeft bij iedere gedrukte letter een grote bezieling bij de kerk die hen dierbaar is.

Met God is verhuisd tonen de twee zich wisselend leraar en opiniemaker. De auteurs willen een perspectief op de toekomst bieden. En ik zal het alvast verklappen. Dat perspectief komt er niet. Het is te veel analyse en te veel duiding en geen enkele innovatieve oplossing.

De voorbeelden die de kerkjuristen noemen liggen aan de basis. Gelovigen zijn de kerk en moeten gekoesterd worden, vinden de twee. De organisatiestructuur is nodig maar moet zich daarop aanpassen. Dat kan met huisgemeenten en small christian communities nu koepelorganisaties worden afgebroken om financieel-economische motieven. Dat kan met herbestemming van kerkgebouwen. Sigh.

Pas op pagina 191 komt de echte vraag aan bod: en nu? Of, zoals de twee schrijven: ‘Goede en minder goede visies te over, de kernvraag is: hoe komen we in de dagelijkse praktijk nu ook echt een stap verder?’

Precies. Hoe komen we verder?

De auteurs geven als antwoord dat ze het belangrijk vinden om geloof, mensen, middelen en de juiste vorm van organisatie bij elkaar te brengen. Met als doelstelling: het verbreiden van een zinvolle evangelische boodschap. Zucht.

Externe begeleiding is daarbij onontbeerlijk, stellen ze, zonder dat je je eigen problemen uitbesteed. En kijk goed naar de uurtarieven die variëren van 50 tot 150 euro. Joh, echt?

Vervolgens komt de verwijzing naar het bedrijf van Petra Stassen en haar aanpak in drie stappen:

  • Een bezinning op de werkelijke vraag (antwoorden vind je in dit boek)
  • Een onderzoek naar mensen, mogelijkheden en middelen (de antwoorden die ik graag had willen lezen in dit boek)
  • Het ontwerpen van een passende organisatie (idem, lees je niet in dit boek)

Daarbij worden de o zo bekende zaken als weerstand en draagvlak geschetst. O, wat is dit jammer en o wat is een schot voor open doel.

Of deze: Fouten mogen gemaakt worden. Projecten kunnen en mogen een keer mislukken.

Iedereen die dit zo onderhand wel weet, tenzij je 10 jaar in een grot hebt gezeten. Het gaat om het toepassen waar het veld om schreeuwt.’

De vragen in het veld zijn zeer groot. De antwoorden in dit boek ontbreken.

Als je zo helder bent in je analyse, snoeihard soms, dan mag je verwachten dat de aanpak net zo helder is en behulpzaam. Bijvoorbeeld: hoe pak je een organisatieonderzoek aan, hoe kom je tot een concrete visie die niet onderin de la verdwijnt, wat is een passende organisatie in je eigen situatie, waar moet je juridisch aan denken, wat is innovatie, hoe pas je dat toe, hoe werf je mensen, wat zijn werkende richtsnoeren voor financieel beleid, hoe kom je tot een gezonde exploitatie als je gebouw een sacrale ruimte is, hoe maak je de evangelische boodschap relevant, hoe kies je externe begeleiding, enzovoorts.

Uiteindelijk schiet je als lokale gemeenschap dus niets met dit boek op. De oplossing die het boek biedt (neem externe begeleiding in de hand), is te makkelijk. Er zit megaveel kennis en ervaring bij de auteurs zit, maar je krijgt die in dit boek niet kado.

God is verhuisd en de twee auteurs zijn in dit boek niet het verhuisbedrijf dat jou naar je nieuwe woning brengt.