Wie cultuurtheoloog en onze redacteur Frank Bosman enigszins volgt, weet dat hij God in de hedendaagse cultuur tracht te ontdekken. Met God heeft ook een fiets wint Bosman de bolletjestrui.

Anders dan vorige aansprekende kleine theologieën begint Bosman in God heeft een fiets aan de trage kant.

Hij neemt een aanloopje (van de eerste categorie) waarin hij een schets van zijn jeugd geeft en hoe de biechtstoel de plek was waar zijn ontluikende wielerliefde ontstond. Want na de penitentiegebeden ging het gezinnetje Bosman de Tour volgen via de autoradio. Dat ging uitermate goed “ook omdat mijn moeder soms anderhalf uur nodig had haar ziel te bevrijden van allerhande ‘zondjes’. Bosman beschrijft dit proces liefdevol, ook hoe hij de weg naar het priesterschap verliet.

Theologische kasseien

Toch is het een trage opstart die van mij achterwege had kunnen blijven. In het eerste echte hoofdstuk ‘Waarom fietsen een katholieke sport is’ vliegen we gelukkig over de theologische kasseien. De auteur is in staat diverse bronnen kunstig met elkaar te verbinden. We komen op het spoor van de katholieke uitgever Martin Ros die het wielrennen en het katholieke deel van Europa als logische consequentie ziet. Zuidelijk klimaat, katholieke identiteit en armoede: dat is de triniteit van de fietstheologie. Je proeft duidelijk de voorliefde van Frank Bosman voor het katholieke fietsen en theologie. Hij demarreert.

Misschien is de theoloog zelfs iets te veel op dreef voor een wetenschapper. Het hoofdstuk ‘Onze-Lieve-Vrouw van de Wielrenners’ is een onverbloemde ode aan Maria als beschermheilige van de wielersport. De katholieke levenshouding druipt ervan af, als de Italiaanse Gino Bartali, il pio (‘de zalige’) en heiligste man van Italië aan bod komt. De vrome wielrenner die het wielrenner bezielde. Het is ‘maar’ een opstapje naar de kleine theologie waar Bosman Paulus en zijn eerste brief aan de gemeente in Korinthe aanhaalt. Fietsen doe je niet zomaar, nee. Fietsen is een offer voor God, zo bepleit Bosman, met elementen als afzien op de berg, eenzaamheid en fietsen als contemplatieve bezigheid. Toegegeven, die zag ik niet aankomen omdat ik woon-werkverkeer niet echt ervaar ik als een spirituele ervaring.

De anekdotes in God heeft ook een fiets zijn uitermate vermakelijk en zetten de gedachte van Bosman kracht bij. Wielrennen is knetterkatholiek. Christologisch zet Bosman zijn Tour voort door bergritten theologisch te duiden. Jongens worden mannen. Heilige bergen worden ‘mysteries die angst’ inboezemen en fascineren tegelijk. De top van Olympos was dat voor de oude Grieken, de Alpe d’Huez is dat nu voor wielrenners, de berg Karmel voor katholieken.

Kun je God vinden in het fietsen?

Dan komt de cruciale vraag: Hoe kan je God vinden in het fietsen. Bosman toont zich hier een lyrische jezuïet: ‘Wie als een klimgeit de berg probeert op te peddelen, ervaart God aan den lijve, letterlijk. Hij ontmoet God in de berg die de renner beklimmen moet, in de weg die omhoog slingert van haarspeldbocht naar haarspeldbocht, in de mensen die hem aanmoedigen, in de stilte op de lange stukken zonder toeschouwers en mederenners, in de zon die hem doet zweten, in de regen die hem doorweekt, in de insecten die om zijn hoofd zoemen, de dieren die verschrikt voor zijn fiets de berm in vluchten, de angst om te vallen, de wil om te overwinnen, de moed om ermee door te gaan, de nederigheid om te verliezen’.

Bolletjestrui

Inderdaad, we lezen de buitencategorie. Bosman gaat voor de bolletjestrui. Hij verlaat de analyse en betoont de wielerliefde ten volle. Na ‘God houdt van seks’ kun je ‘God heeft ook een fiets’ lezen als een sportief orgasme van een ware katholiek en een ware sportliefhebber. Prachtig! Bosman behandelt alle elementen van de sport vanuit theologisch perspectief: de bergen, de gele-truidragers, het leed van het afzien, rode-lantaarndragers en hitsige verslaggevers. Alles komt in een ‘treintje’ voorbij.

Bosman finisht zachtmoedig en nederig. Tijdens het lezen dacht ik steeds ‘ja Bosman, dat vind jij nou wel, maar dat kan ik ook van voetballers, marathonlopers of schaatsers roepen. God houdt zo ook van de Elfstedentocht’. Die kritiek pareert Bosman in het slotakkoord. ‘Ik gebruik simpelweg deze wielerwoorden omdat ik met zo veel ontzag naar de renners kan kijken. (…) Ik blijf volhouden dat God een fiets heeft. Misschien ook wel een basketbal en een rijpaard.’ Of….