Brief uit de missie 148: Bekering dankzij de Spaanse griep

0
680
handgeschreven brief

In een eerdere brief uit de missie (nummer 133) liet ik pater Benedictus aan het woord. in 1922 keek de missionaris, afkomstig uit de Elzas, terug op zijn bekeringswerk aan de voet van de Kilimanjaro, de hoogste berg van Afrika, bijna zesduizend meter hoog. Om het vertrouwen van de bevolking te winnen, had hij de plaatselijke tovenaar aan de kant moeten zetten. Dat deed de voormalige Franse militair, die na 1870 ‘soldaat van God’ was geworden, door een rondzwervende leeuw te vellen.

door Harry Knipschild

‘Er had een algehele verandering plaats. De pater ondervond geen moeilijkheden meer. Hij verzamelde verscheidene kinderen om zich heen, die geregeld zijn lessen kwamen bijwonen. Volwassenen begonnen eveneens meer belangstelling voor zijn onderwijs te tonen. Ook wilden zij gaarne enige grondbeginselen van beschaving leren,’ was te lezen in het maandblad Katholieke Missiën.

Zusters helpen de paters

‘De kerkgebouwen van bamboe, bedekt met palmbladeren, werden vervangen door een geriefelijke inrichting met stevige muren van gedroogd leem. Er werd een school gesticht voor jongens, een andere voor meisjes. Elk had zijn eigen lokaal met afzonderlijke huisvesting voor de zusters, die op verzoek van pater Benedictus uit Europa waren overgekomen.

De aankomst der eerste blanke vrouwen was gedurende weken daarna het enige onderwerp der opgewonden gesprekken. Mijlen in het rond kwam het jonge volkje louter om ze te zien, soms op eerbiedige afstand, vaak heel dichtbij. Hun nieuwsgierigheid scheen onverzadigbaar.

In het begin schreeuwden de zwarte vrouwen en liepen zij weg als de nonnen hun hutten wilden betreden. Doch spoedig werden zij door hun blanke zusters overwonnen. Men kon altoos enigen in de nabijheid van het klooster aantreffen, om ongevraagd enige diensten te bewijzen, die hun eenvoudig verstand kon uitdenken, voornamelijk in de grote tuin met Europese voortbrengselen en in de plantages van bananen, suikerriet, lindebomen, oranjeappels, limoenen en Indische vijgebomen.’

Spaanse griep

Een van de helpsters in de regio was zuster Felicia C.P.S. Zij was lid van de congregatie Missiezusters van het Kostbaar Bloed (Congregatio Pretiosi Sanguinis), in 1885 gesticht door de Oostenrijker Franz Pfanner (1825-1909). In 1906 werd het moederhuis van de congregatie verplaatst van Marianhill (Oost-Afrika) naar het Nederlandse Aarle-Rixtel – bij Helmond.

Evenals andere congregaties gaven de Zusters van het Kostbaar Bloed een tijdschrift uit om daarmee hun boodschap te verkondigen. Ze noemden hun maandblad Kijkjes uit het missieleven. In het augustus-nummer van 1922 werden artikelen afgedrukt over de geschiedenis van de congregatie, een offer van naastenliefde, ernst en luim in de missie, maar ook een verslag van zuster Felicia over haar activiteiten bij de Kilimanjaro.

Felicia haakte in haar tekst in op de pandemie van de Spaanse griep, die Europa in 1918 zo hard getroffen had, dat mede daardoor eindelijk een einde kwam aan de Eerste Wereldoorlog. Het influenza-virus sloeg niet alleen toe in Europa, maar in de hele wereld. Tientallen miljoenen mensen kwamen om het leven.

Zuster Felicia doet verslag

Ver weg in het zwarte continent (Tanzania) had zuster Felicia een bijzondere ervaring. ‘De griep woedde in Afrika evenals bij ons in Europa. Niemand werd ontzien. Hassam, een islamitische slavenhandelaar, werd ernstig ziek.’

Felicia wilde voorkomen dat de moslim anderen zou besmetten. ‘Toen ik van dorp tot dorp ging, van deur tot deur, om de arme wilden te helpen, kwam ik ook in de hut van deze slavenhandelaar. Hij had de ziekte zo te pakken dat ik het nodig achtte hem alleen in een vertrek te brengen.’ In quarantaine dus.

Volgens de zuster wist Hassam niet goed meer wat hij aan het doen was. ‘Op zekere dag zag ik hoe hij verschillende bankbiljetten door het raam naar buiten wierp. De wind speelde met het papieren geld en dreef het naar alle windstreken.

Ik riep een der kleine negertjes, die buiten aan het spelen waren. Hij kende de waarde van het geld niet. Toen vroeg ik hem de de papiertjes op te rapen en mij te brengen. Dat deed hij dan ook onder groot gejubel en later was ik in het bezit van de kostbare biljetjes.’

Hassam was blij met de hulp van Felicia. ‘Toen hij weer bij kennis was, liet ik hem het geld zien en vertelde hem wat hij gedaan had. Hij schrok ervan en riep een ogenblik later: “U bent een christen, een echte christen, zelfs nog meer dan dat!”’

Bekentenis van een slavenhandelaar

Hassam en Felicia hadden contact. ‘Hij was een hardnekkige mohammedaan. Als zijn grote zwakte het toeliet, zat hij, de benen over elkaar gekruist, naast een stapel mohammedaanse gebedenboeken, aldoor prevelend onder een massa buigingen: “Allah is groot en Mohammed is zijn profeet.”

Op een avond, toen hij zich zeer zwak en ellendig voelde, zei hij tegen mij: “Mama, het loopt op een eindje met mij.”

“Ja, Hassam,” zei ik, “bereid je maar vast voor, want je hebt in je leven veel kwaad gedaan.”

“Zeker,” antwoordde hij met een zware zucht, “vooral in de tijd toen ik aanvoerder ben geweest van de slavenkaravaan. Aan de Kilimanjaro heb ik veel verkeerd gedaan. Ik heb er goede zaken gemaakt.” En zijn ogen fonkelden bij deze gelukkige herinnering.

Op mijn vragende blik vertelde hij verder: “Aan de Kilimanjaro woont de stam van de Dhaggas. Zij houden veel van gekleurde kralen en bonte doeken. Met de vorsten van deze stammen heb ik voordelige handel gedreven.”

Kraaltjes en meisjes

Hassam, zuchtend: “De Dhaggas hebben grote, slanke, mooie meisjes. Nog laat in de avond liet de vorst de dochters van zijn ministers uit de hutten halen. Men bracht er een groot aantal voor mij.

Ik nam ze goed op. De gewone prijs voor zulk een schoonheid was een paar dozijn kraaltjes of een meter of wat katoen. Jonge dochters, die een tand misten, waren zeer goedkoop. Ik nam ze mee naar de kustlanden [van Oost-Afrika], waar ik ze tegen een hoge prijs verkocht. Ook die goede, oude tijden zijn voorbij.”

Bekering

Zuster Felicia wees de doodzieke man op het einde van zijn aardse bestaan. “Ook uw leven is voorbij.”

Hassam liet de woorden van de Europese vrouw tot zich doordringen. Na een poosje vroeg de lijder van het griepvirus angstig: “Meen je dat Onze Lieve Heer mij na mijn dood in zijn huis neemt?”

“Zeker. Maar u moet het leven, dat u tot nog toe geleid hebt, vaarwel zeggen. U moet geloven wat ik u zeggen wil en u laten dopen. Uw zonden moet u betreuren en verfoeien en trachten God te beminnen. Dan komt u zeker in de hemel”.

De handelaar leek geen alternatief te zien. “Ik wil alles geloven wat u zegt.”

De zuster van het Kostbaar Bloed stond stevig in haar schoenen. “Ik wil eerst uw gebedenboeken verbranden – en zo zien of u meent wat u zegt.” Ze pakte de boeken met de bedoeling die aan het vuur toe te vertrouwen.

Hassam sputterde nog een beetje tegen. Waarschijnlijk schaamde hij zich een beetje tegenover andere aanhangers van de islam. “Neem alles, maar doe het stilletjes, zodat niemand er iets van merkt. Maar doop me gauw. Dan kom ik in de hemel.”

Voorbereiding op het doopsel

Zuster Felicia was blij. “Wat een verlangen naar het doopsel, naar een gelukkige eeuwigheid lag in de uitdrukking van de ogen, die glansden van de koorts.”

Ze wilde echter niet hals over kop handelen. “Ik voldeed nog niet aan zijn verlangen. Eerst moest ik me overtuigen of het hem gemeend was of slechts een opwelling van het ogenblik. De stapel boeken verbrandde ik.

Toen ik Hassam verliet, gaf hij mij een groot pak dekens en doeken mee uit de winkel van zijn zoon en daarbij nog geld voor de armen.

Ik was overgelukkig, want veel van mijn patiënten hadden niets om zich te dekken. Zo vaak had een arme vader mij knielend om hulp gesmeekt. Met welk een blijdschap nam ik dus het aanbod aan en bracht mijn schat naar mijn patiënten!”

De zuster uit Aarle-Rixtel was overtuigd van de oprechtheid van de moslim. “Hassam had zich werkelijk en oprecht bekeerd. Kon ik nog aarzelen hem het H. Doopsel toe te dienen?”

Felicia bereidde hem zo goed mogelijk voor op de overgang naar een nieuwe godsdienst. “Mijn volgende bezoeken dienden vooral om hem in de waarheden van ons heilig geloof te onderrichten. Met kinderlijke eenvoud luisterde de oude mohammedaan naar mijn woorden en hoe bitter betreurde hij zijn vroegere misdrijven.

Het was dan ook de hoogste tijd. Hij zou wel spoedig sterven. Eindelijk was hij genoeg onderricht en kon ik hem dopen. Met een levend geloof en vurig verlangen ontving hij dit sacrament, wat van hem een kind Gods en erfgenaam des Hemels maakte.’

Voldaan

Zuster Felicia was voldaan. ‘Nog in de zelfde nacht stierf hij, gekleed met het witte gewaad der onschuld. Hoe groot is God in zijn oneindige barmhartigheid! Nu geniet hij, die God in zijn leven nooit gekend en nog minder gediend heeft, de eeuwige zaligheid.

En waarom, vragen wij?

Door de oneindige liefde van onze Zaligmaker, die ook hem door zijn Kostbaar Bloed verlost heeft aan het kruis. Wie kan dan nog wantrouwen, bij het zien van zulk een liefde en barmhartigheid? Met de psalmist roepen wij dus uit: “Op U, Heer, heb ik gehoopt en ik zal in eeuwigheid niet beschaamd worden.”‘

Met die woorden eindigde de zuster haar relaas in het tijdschrift Kijkjes uit het missieleven. Het virus van de Spaanse griep had ertoe bijgedragen dat een islamitische slavenhandelaar zich bekeerde tot het katholieke geloof.