Brief uit de missie 156: Piet Noyen op de vlucht voor de Boksers

In 1946, kort na de Tweede Wereldoorlog, publiceerde B. Vrocklage een biografie van missionaris Piet Noyen (1870-1920), getiteld Een held uit de Oost. Slachtoffer van zijn plicht. In de inleiding stipte de auteur aan hoe snel de wereld veranderd was en veranderde. ‘De maatschappij van nu denkt anders, voelt anders, leeft anders, woont anders, werkt anders. Al het oude is weg. Waar de mens nog iets van vroeger vindt, zegt hij met minachtend medelijden: “Kijk, zo was het vroeger.” Alles dunkt hem verbeterd.’

door Harry Knipschild

Missionaris Noyen, afkomstig uit Helmond, bevond zich in de Chinese provincie Shandong toen daar aan het einde van de negentiende eeuw de Bokseropstand uitbrak.

Hubert Kallen, elders actief in het keizerrijk, legde op 29 juli 1900 in een brief aan zijn familie uit: ‘U hebt zeker in de Europese kranten wel gelezen wat men onder Bokser verstaat. Die naam, door de Engelse gazetten vooruitgezet, is een vrije vertaling van de Chinese benaming. De Boksers zijn sedert twee jaren opgekomen. Het is een vreemdsoortige secte. Ze stammen af van, of zijn tenminste verwant met, de vroeger bestaande secten van de ‘grote messen’, ‘gekke schapen’ ‘zaili’ en soortgelijke oproermakers. Zij hebben hun oorsprong genomen in Shandong toen in die provincie de haven van Jiazhou [Qingdao] door de Duitsers was ingenomen.’

Waar de boksers op uit waren was voor pater Kallen geen vraag. ‘Ze stellen zich ten doel de christen-godsdienst in China uit te roeien en bijgevolg alle Europeanen uit het hemelse rijk te verdrijven. Het is daarom dat zij ingang gevonden hebben bij keizerin Cixi en haar handlanger Toan-wang, vader van de zogezegde nieuwe jonge keizer. Die twee hellevegen meenden stellig dat zij met behulp van de Boksers China van alle buitenlandse gespuis zouden schoonvegen om het bloemenrijk in zijn oude staat te bewaren.’

Shandong

Piet Noyen ondervond het begin van de opstand aan den lijve. Hij was immers midden in dat gebied werkzaam. In de biografie kon je erover lezen. Noyen was lid van de SVD, een overheersend Duitse missiecongregatie die opereerde vanuit Steyl bij Venlo in Nederland. Johann Baptist von Anzer had de leiding in Shandong. Hij wist de Chinese autoriteiten (mandarijnen) op basis van opgelegde ‘ongelijke verdragen’ (in het voordeel van de Europeanen) naar zijn hand te zetten. Dat werd echter steeds moeilijker omdat het volk in opstand kwam.

‘Het liep uit op bestrijding van de vreemdelingen, in het bijzonder van de missie, die haar vreemde godsdienst wou vastplanten in het Chinese volk. Vijf kerken en twintig kapellen werden geplunderd en neergebrand, priesters en christenen gemarteld. De beweging “China voor de Chinezen, weg met de vreemdelingen” groeide snel uit.’

Allerheiligen 1897

Omdat de mandarijnen de Duitsers voorlopig een hand boven het hoofd hielden, moesten houden, pakte dat goed uit voor het bekeringswerk. ‘De missie,’ schreef Bockrage in 1946, ‘kreeg zulk een aanzien en vertrouwen, dat overal grote getallen zich kwamen opgeven voor onderricht.’ Het gevaar was dus weer geweken en de missie stond er beter voor dan ooit.

Mgr. von Anzer kon gerust naar Europa gaan voor het generaal kapittel. In Steyl maakte hij voor de pers op Allerheiligen-avond [in 1897] een algemene zendbrief klaar aan zijn missievrienden: “Er is een goede stemming onder het volk jegens ons. Ik maakte een visitatie-reis van drie maanden. Iedere dag kwamen afgevaardigden van dorpen in de omtrek vragen om onderwezen te worden in het H. Geloof”.

Anzer bleek zich verkeken te hebben. Op de dag dat hij zijn brief schreef werden twee van zijn landgenoten, de paters Henle en Niess, in Shandong vermoord. Medebroeder Georg Stenz wist zich verborgen te houden en overleefde de aanslag. Later constateerde deze: ‘Uit hun kamer klonk een dof, verschrikkelijk gereutel. Bij het licht van een lucifer zag ik iets vreselijks, overal bloed op de vloer, op de meubels, tegen de wand. Alles was met bloed bespat. De beide paters lagen op één bed, ze waren bij elkaar gevlucht in hun bange nood, zoals kinderen. Pater Nies was reeds gestorven, pater Henle leefde nog, maar kon niet meer spreken. Zijn grote ogen stonden wijd open.

“Richard,” riep ik, en een kleine glimlach kwam op zijn edel gelaat. Het was de afscheidsgroet van mijn vriend. Nies had zeven, Henle negen grote steekwonden – sommige zo diep, dat ze dwars door het lichaam van die boven lag heen waren gegaan en die onder lag, nog wondden.’

Noyen neemt plaats in van vermoorde paters

Vrocklage: ‘Noyen, de Nederlandse SVD’er, sprong terstond in het zadel en galoppeerde naar de plaats van de moord, om hulp te bieden. Bij de christenen was er algemene verslagenheid. Nooit is daar triestiger Allerzielen gevierd.

De pater heeft de bloedige kleren zorgvuldig gedroogd en goed verpakt naar Steyl gezonden, waar ze nu nog bewaard worden, als een kostbare gedachtenis aan de eerste helden van de orde, die vielen op het roemrijke slagveld der H. Kerk.’

Noyen kreeg opdracht hun plaats in te nemen. Aan zijn moeder schreef de Brabander: ‘Gij moet maar niet bang worden, moeder, wanneer ik u zeg waar ik geplaatst ben. Mijn gebied is juist het district waar de paters vermoord werden. Deze statie is mijn hoofdstandplaats. Ze ligt tamelijk in het noord-oosten van mijn gebied. Hoemeer ik van hieruit naar het zuidwesten rijd, des te gevaarlijker wordt de streek.

In elk dorp bevinden zich rovers, die zich tegen de avond verzamelen en op een bepaalde woning losrukken en niet terugdeinzen voor moord, brand of andere dingen. Moorden komt hier dikwijls voor onder dit ruw en wild volk.’

Het bleef niet bij moorden: ‘Dat dit volk zeer laag staat, kunt u hieruit opmaken, dat bij ons in de stad nog mensenvlees wordt gegeten. Het is hier niet zoals in Afrika, waar met dit doel extra mensen gedood worden, maar hier worden veel rovers ter dood veroordeeld. Hun lichamen worden dan in de nacht gestolen en het vlees verkocht.’

In Helmond lazen ze: ‘U [moet] maar goed voor mij bidden, opdat mijn engelbewaarder mij moge beschermen. Zou het echter de wil van God zijn, dat ook ik mijn leven voor Hem en de zielen geven moet, dan ben ik bereid. Bid God echter, moeder, dat Hij mij altijd goed voorbereid moge vinden.’

Vockrage was vol bewondering: ‘Is het niet wondermooi, hoe kalm hij spreekt over zijn gevaar en best mogelijke dood? Het is de hoogste levensmoed zodanige stervensmoed te hebben; het is de hoogste levensdurf voor de dood zelfs niet te wijken, maar hem rustig in de ogen te zien en met besliste kalmte hem de hand te reiken, omwille van het schone ideaal!’

Steeds meer gevaar

‘Het werd gevaarlijker dan ooit. Iedereen voelde het. Niemand wist wat het worden zou met China en de missie. Velen zeiden: er blijft niets over als het losbreekt – het is te algemeen verspreid. Ieder merkte het en bereidde zijn gemoed op deze dingen voor. Dat stomme broeien in het volk, dat doffe dreigen van de massa, dat slechts een leider te kort kwam, een druktemaker, en het was niet te voorspellen wat gebeuren zou.

De stoot kwam ineens en de massa raakte aan het woelen. Moordend en brandend stormde ze door de landen.’

‘Wees maar niet bang moeder, want ik zelf ben ook niet bang’, schreef Noyen naar huis.

Duitsland en andere staten hadden stukken land in China bezet, allerhande agenten en vreemde kooplieden bewogen zich onder het volk, nooit ten voordele der Chinezen, die werden bedrogen.

Toen werd nog tot overmaat van ramp door overstroming de oogst vernietigd, zodat honger in het vooruitzicht stond. Dit maakte het volk geprikkeld, ontevreden, baldadig en gevaarlijk.’

China was een kruitvat geworden. ‘De sekte van het grote mes en allerlei roversbenden trokken moordend, rovend en brand stichtend door het land. “China aan de Chinezen, weg met de Europese duivels!” werd weer de leuze. Alles wat niet Chinees was, moest weggebrand worden door het vuur, allereerst de kerken, pastorieën en scholen, maar ook de kantoren en magazijnen van vreemde firma’s, die hier handel dreven. Het zag er uit, als zou er niets meer overblijven van de missie.’

Noyen liet zich desondanks niet gek maken. Hij voelde zich gesteund van boven. Aan een vriend schreef hij: ‘De standvastigheid van een missionaris wordt niet zozeer in tijden van buitengewone groei en uitbreiding beproefd, maar in geduldig lijden en stil volharden op zijn post zonder aan terugwijken te denken.’

Noyen blijft nog op zijn post

De autoriteiten hadden vanuit Peking opdracht gekregen om de verkondigers van het geloof van het westen ertoe aan te zetten het land te verlaten. De gouverneur van Shandong gehoorzaamde. ‘Hij riep alle missionarissen aan, naar de veilige havensteden te trekken. Vijf Europese priesters en tien Chinese verkozen echter te blijven, ook Noyen. Hij zou zijn kudde niet verlaten. Daar kwam dan de orkaan, christenen martelend, huizen en kerken plunderend en verbrandend. Overal werd gejaagd op de Europese duivels.’

Noyen: ‘De verwoedheid der christenvervolging was in mijn district ten uiterste gestegen. Onze bedehuizen werden in brand gestoken, de altaren verwoest en heiligenbeelden op de meest onwaardige wijze onteerd. De christenen werden gebonden en mishandeld, nadat de bandieten hen bijna van alles beroofd en hun woningen vernield hadden. Drie maanden woedde de vervolging.’

De pater van Steyl deed zijn best. In het rustigste gedeelte van zijn gebied reisde hij rond. ‘Hij troostte de christenen. Door het toedienen van de sacramenten trachtte hij hen sterken tegen het lijden dat hen ook weldra te wachten stond. De vervolgingen zouden waarschijnlijk ook deze streken treffen.’

Vertrek

Noyen kwam tot de conclusie dat het onmogelijk was op zijn post te blijven. Tijdens de rondreis ontving hij een uitnodiging van deken Petry voor nader overleg. Van die gelegenheid maakte hij gebruik om te vertrekken. ‘Ik maakte mij dadelijk reisklaar, om deze weg van 16 uur te paard af te leggen. Ik meende, dat er geen groot gevaar te duchten was, omdat in de nabijheid geen christengemeenten waren. In het gebied van pater Petry waren, naar ik meende, de rovers nog niet doorgedrongen.’

Door vijandelijk territorium

Noyen kende de streek. ‘Ongeveer halfweg moest ik door een mij zeer goed bekende, grote marktplaats. Uit alle streken waren daar Chinezen samengekomen om inkopen te doen en te handelen. De mensen keken mij erg vreemd aan. Toch was ik er vaak geweest en goed bekend. Ik vermoedde niet veel kwaads en leidde mijn paard bij de teugel door een dichte menigte volks tot een bekend logement.

De anders steeds vriendelijke en gedienstige waard bleef roerloos op zijn plaats en sprak geen woord. Maar de andere Chinese gasten drongen van alle kanten op me aan en in een ogenblik was de binnenplaats stampvol met druk lawaaierig volk.

Deze belangstelling begon me erg gevaarlijk voor te komen en ik zei tegen mijn twee begeleiders: “Wij zullen maar liever een uurtje verder rijden.” We wisten gelukkig nog veilig midden uit de dreigende troep weg te komen. We hadden veel geluk, want ik vernam dat de Boksers daags te voren de winkel van een vermogend christen geplunderd, hem van alles beroofd en meegesleept hadden.’ Volgens de missionaris was het volk door de hoogste autoriteit opgehitst.

‘Onderweg ontmoetten we veel verdachte kerels, die met een zwaard onder de arm, trots als ridders voorbij stapten. Als ze mij zagen, kon men telkens de woede op hun gelaat lezen. Maar de Chinees is te laf om met twee of drie samen een Europeaan aan te vallen; eerst als hij zich zeker voelt, krijgt hij durf en wordt hij wreed, zoals lafaards altijd zijn.’

Noyen arriveerde ongedeerd op zijn bestemming. Daar bleek het gevaar intussen eveneens toegeslagen te hebben. ‘Ik hoorde dat de vervolging ook hier was begonnen. We liepen dus groot gevaar, want er hielden zich duizenden aanhangers van “Het Grote Mes” op. Alle smederijen der stad waren onverpoosd bezig om de Boksers van lansen en zwaarden te voorzien. De hele bevolking was tegen ons. De secte had het praatje uitgestrooid dat de christenen de waterputten van het dorp vergiftigd hadden.

De lastertaal vond algemeen geloof en het volk werd met de dag meer verbitterd. Overal werden de waterputten gereinigd, van een houten deksel voorzien en dag en nacht bewaakt. Waar de christenen werd toegestaan water te scheppen, moest zulks geschieden onder toezicht der heidenen. Meer dan eens gebeurde het bij die gelegenheden, dat christenen werden aangepakt. Men jouwde ons na en schold ons uit met de allergemeenste uitdrukkingen.’

Voorlopig werden Noyen en andere paters nog beschermd door de overheid. ‘De generaal der stad had ons beloofd krachtig te zullen helpen. Voor de poorten van onze missiestatie had hij twintig soldaten met Europese geweren gewapend, op post gezet. Het feit dat de generaal ons dus genegen was en de schrik voor Europese kogels, hield de opgehitste bevolking er van terug, onze residentie te bestormen.’

Van blijven was geen sprake meer. ‘Ik stelde voor zo gauw mogelijk per schip over de Gele Rivier naar Poeoli te reizen. Zo werd besloten. De nodige toebereidselen werden terstond gemaakt. De afstand tot de Gele Rivier, 6 uur rijden, moesten we te paard afleggen.

In alle vroegte zonden we een man vooruit, die daar bekend was, om een schip te huren. Het was voor ons immers zaak bij aankomst dadelijk verder te kunnen reizen. Voorzichtigheid en spoed slechts konden ons redden.

Tegen tien uur vertrokken we, na ’s morgens de H. Mis te hebben opgedragen, om een gunstige reis af te smeken. Vol vertrouwen op goddelijke bijstand stegen wij te paard.’ Helemaal eervol was het niet. ‘Nauwelijks waren we buiten de stad, of een half beschonken ruiter volgde ons en overlaadde ons met walgelijke schimp- en scheldwoorden.’

Aan incidenten geen gebrek. ‘Na twee en een half uur rijden kwamen we aan een grote marktplaats. Het krioelde van volk in de straten. We moesten er doorheen, dwars door het grote, zeer drukke marktplein. Nauwelijks werd men ons gewaar, of van alle kanten stroomde het volk op ons toe. Mijn begeleiders reden achter mij en riepen opeens: “Priester, snel vooruit!” Ik legde de zweep er over en met geweldige sprongen kwamen we buiten het gedrang. Een stortvloed van verwensingen volgde ons.’

Over de Gele Rivier

Aan het einde van de middag arriveerde het gezelschap bij de Gele Rivier. Iedereen was moe en hongerig. Het beloofde schip lag nog niet klaar. En hoe zag het er uit: ‘Wat een ontgoocheling! Een vierkante bak, acht meter lang, drie breed en anderhalve meter diep, uit dunne planken aan elkaar gespijkerd, een voet water er in, zonder mast of roer; een dikke laag smerig steenkolenstof bedekte de wanden. Zo hadden ze mij in China nog nooit bedrogen.’

Noyen vreesde dat ze in de val gelopen waren. Van oversteken leek die dag geen sprake meer te zijn. ‘Plots schoot de gedachte in mij op: Die kerels weten er alles van. Men wil ons vannacht overvallen. Ik beval kortaf de bak aanstonds vlot te maken. Omdat dat zo langzaam ging deden we zelf mee. Alles wat we bij ons hadden werd in het schip geborgen en wij bevalen van wal te steken.

Maar dat ging niet, men had geen roeiriemen en geen roer. Die moesten eerst nog geleend worden.

Het duurde een eeuwigheid eer ze er waren. Intussen begonnen een paar lui weer te kankeren, anderen gingen naar huis, zodat eindelijk maar twee van die kerels bij ons overbleven. Kort en dringend beval ik opnieuw het vaartuig los te maken.

Zij weigerden.

Ik herhaalde mijn bevel. Wij wilden ons liever blootstellen aan het gevaar in de Gele Rivier te verdrinken dan in handen der oproerlingen te vallen.

Maar bevel noch bede baatte. Wij moesten ons zelf redden. Ik vroeg aan mijn catechist om een mes, om het touw door te snijden en dan zonder schipper de rivier af te drijven.

Toen zij zagen dat het menens was gingen zij mee. Gij kunt u voorstellen dat we blij waren toen we eindelijk dan de Huang Ho (Gele Rivier) afdreven. We waren aan een groot levensgevaar ontsnapt. Blij als we waren dachten we er niet zo zeer aan hoe gevaarlijk het nog was, in een donkere nacht met zo’n treurige modderschuit op de brede, krachtig stromende Gele Rivier te drijven.

Nog maar een eindje waren we afgedreven, toen er een zwaar onweer opstak, bliksemslagen volgden onmiddellijk op elkander. Het werd akelig benauwd in de winderige nacht op het brede wilde water in deze onbewoonde streek. De schippers wilden niet verder varen, en eerst na herhaaldelijke dreigementen en beloften gaven ze toe. Zwijgend voeren we verder, God en de H. Maagd biddend om ons te beschermen.

In onze lekke schuit zaten we allesbehalve lekker. We zaten met de voeten in het water. De koude van de nacht deed zich scherp gevoelen, want we waren in onze zomerkleding. Honger en dorst kwelden ons geweldig, van ’s morgens af hadden we niets meer gegeten.

De streek, waar we langs voeren, was berucht om de talrijke roverbenden. Als we onder elkaar wat luidop praatten, gaven de schippers in hun angst terstond een teken stil te zijn, opdat men ons niet zou horen. De rovers doen juist in zulke donkere omstandigheden immers graag hun strooptochten. Dat ze hier op het eigen uur hun moorddadig werk deden, bleek uit de herhaalde schoten, die we op de oevers konden horen vallen.

In een benauwende stilte voeren we verder. De roeiriemen werden voorzichtigheidshalve ongebruikt gelaten. We dreven vanzelf met de stroom mee. Toen een der schippers vuur maakte om zijn pijp aan te steken, hoorden we dat aan de oever een boot werd losgemaakt. Volgde men ons op het donkere water? We wisten het niet.

Lange tijd luisterden we met angstige spanning. We konden geen geruststellende zekerheid krijgen, totdat het tegen de morgen begon te lichten. Wij voeren alleen. Bij een dorp wierpen de schippers het anker uit om mondvoorraad te kopen. Ze kwamen terug met brood, meloenen en knoflook. Ze wilden ons een en ander geven, maar wij bedankten: we hoopten de H. Mis nog te kunnen lezen.

Veilig aan wal

Vier uur moesten we nog varen, eer we aan de havenplaats kwamen. Zodra het dag werd, voeren we midstrooms en vorderden snel. Eindelijk tegen negen uur wierpen we het anker uit. We moesten nu nog twee uur te voet afleggen, eer we de stad Showsjang bereikten, waar we een missiestatie hebben en de H. Mis konden lezen.

Bij onze aankomst zonden we onverwijld boden naar het zeven uur verder gelegen Poeoli om ons paarden te zenden. Reeds de volgende morgen vroeg kwamen we in de stad aan. Een hartelijk Deo Gratias, dat we de reis zonder ongevallen hadden afgelegd, steeg uit onze harten op.’

Verder kwam Noyen niet. Van pater Freinademetz, die de leiding van Mgr. von Anzer had overgenomen, mocht hij niet verder. Lange tijd moest de Nederlandse missionaris blijven waar hij zich bevond. Maar hoe dan ook, hij wist de bloedige Bokseropstand te overleven.