Geen rustig leven voor de zieners van La Salette

0
592

175 jaar geleden, op 19 september 1846, zo wil ’t verhaal, verscheen Onze Lieve Vrouw aan twee kinderen op de berg Sous-Les Baisses in het Franse La Salette-Fallavaux. Maria van La Salette, zoals de verschijning in het Nederland bekend kwam te staan, riep de wereld op zich te bekeren – een van haar favoriete boodschappen – en vergeleek de zondigheid van de mensheid met een oogst die staat weg te rotten op het land. La Salette inspireerde grote heiligen als Johannes Vianny, bijgenaamd de pastoor van Ars, Johannes Bosco, de oprichter van de Salesianen, en de Franse schrijvers Joris-Karl Huysmans en Léon Bloy.

Twee weken geleden was ik op het heiligdom in La Salette. Zoals altijd werd ik getroffen door de weidsheid van de machtige Alpen, de kronkelige weg die je moet afleggen om er te komen, de afgelegenheid van de plek, de vriendelijkheid van de mensen. De kerk, het parkeerterrein, het hotel, de eetzalen, alles ademt de mogelijkheden om honderdduizenden pelgrims per jaar te verwerken, maar elke keer dat ik er kom is er slechts een handvol pelgrims, die zonder uitzondering Frans spreken. Het lijkt een vergeten parel aan Maria’s Franse diadeem.

Het verhaal van de twee zieners is echter opzienbarend. Normaal gesproken bestaan er twee paden voor een gemiddelde Mariaziener (m/v): of je overlijdt snel of je leeft de rest van je leven in een klooster. De zienertjes van Fatima bijvoorbeeld. Lúcia stierf op 97-jarige leeftijd in een karmelietenklooster, terwijl Francisco en Jacinta maar 10 en 9 jaar oud werden. Catharine Labouré kreeg haar visioenen van Maria terwijl ze al in het klooster aan de Rue de Bac in Parijs verbleef, waar ze op 70-jarige leeftijd overleed. En Bernadette Soubirous, de zieneres van Lourdes, werd weliswaar slechts 35 jaar, maar overleed keurig als zuster in het klooster van Nevers, waar haar lichaam tot op de dag van vandaag ligt opgebaard.

Mélanie Calvat

De zieners van Onze Lieve Vrouw van La Salette gingen echter andere wegen, net zoals trouwens de zieners van Beauraing en Medugorje trouwens, maar dat is voor een andere keer. In het geval van La Salette gaat het om twee zieners, een knulletje van 11 jaar oud, Maximin Giraud, en een meisje van 15 jaar, Mélanie Calvat. Laten we eens beginnen met Mélanie, wiens gezin zo arm was dat ze geregeld er op uit werd gestuurd om te bedelen. Ze had geen scholing gekregen, kon lezen noch schrijven en sprak alleen een regionaal Occitaans dialect. In eerste instantie werd ze – na de verschijning – opgenomen bij de zusters van de Goddelijke Voorzienigheid, waar ze in 1851 haar tijdelijke geloften aflegde.

Toen ze in 1853 haar eeuwige geloften wilden afleggen, kreeg ze te maken met een verbod van de lokale bisschop, die meende dat Mélanie zich spiritueel nog niet genoeg had ontwikkeld. Waarschijnlijk had diens weigering meer te maken met wereldse politieke overwegingen, aangezien Mélanie nogal nadrukkelijk de kant van de door Napoleon verdreven Franse koning koos en de r.k.-kerk wanhopig poogde politiek neutraal te blijven. Gedwongen door de afwijzing van de bisschop verhuisde Mélanie naar de Zusters van Liefde, maar trok binnen drie weken terug naar haar geboortedorp, waarschijnlijk omdat haar nieuwe religieuze omgeving niet veel moest hebben van haar verhalen over een Mariaverschijning.

Toch was Mélanie’s monastieke zwerftocht nog lang niet ten einde. Op aanraden van een Engelse priester liet ze zich overhalen naar het karmelklooster in het Engelse Darlington te gaan. We schrijven inmiddels 1855. Aanvankelijk leek iedereen tevreden: op deze manier was Mélanie ver verwijderd van de politieke stekeligheden in Frankrijk, maar haar voortdurende verhalen over voortgaande verschijningen deden de lokale bisschop besluiten haar een spreekverbod op te leggen. In 1860 krijgt ze zelfs toestemming van de paus om haar kloostergelofte, in de Karmel afgelegd, af te leggen en weer naar Frankrijk terug te keren.

Nogmaals probeert Mélanie spiritueel onderdak te vinden, nu bij de Zusters van Naastenliefde in het Franse Marseille. In 1984 wordt ze toegelaten mits ze haar identiteit geheim houdt. Als ze echter wordt herkend, verlaat ze na een jaar de congregatie weer. Samen met een zekere Marie, een medezuster die ze op een reis naar Griekenland had leren kennen, reist ze via haar geboorteplaats naar het Italiaanse Castellamare, waar de lokale bisschop haar welkom heet. In 1902 bezoekt ze het heiligdom in La Salette voor de laatste keer, voordat ze twee jaar later, op 14 december, dood gevonden wordt in haar huis in Altamura, ook in Italië. Het was haar daar – eindelijk! – gelukt om haar identiteit geheim te houden: voor de mensen in het dorp was ze gewoon een oude, Franse dame.

Maximin Giraud

Maximin verliest zijn moeder als hij 17 maanden oud is. Zijn nieuwe stiefmoeder laat hem echter links liggen, zodat de kleine jongen zichzelf min of meer moest opvoeden. Ook hij ging nooit naar school, kon lezen noch schrijven en sprak louter het lokale Occitaanse dialect. Ook hij ging na de verschijning naar de zusters van de Goddelijke Voorzienigheid. Na enige bezoeken aan Johannes Vianney – de heilige pastoor van Ars – verliet Maximin de kloosterschool en begon aan een zwervend bestaan, dat hem op een kleinseminarie in Grenoble zou brengen, maar ook in de Grande Chartreuse (het moederhuis van de kartuizers) en een opleiding geneeskunde in Parijs. Helaas kan hij nergens blijvend slagen.

In 1865 reist Maximin naar Rome en neemt spontaan dienst bij de pauselijke zoeaven, een infanterie-eenheid van de kerkelijke staat (1861-1870), bestaande uit goed katholieke vrijwilligers, opgericht om de optrekkende Victor Emanuel II, koning van Sardinië, van het lijf te houden. Vanwege zijn eerdere medische training wordt Maximin ingedeeld bij het legerhospitaal, maar hij ziet geen grote veldslagen en vertrekt na uit dienst te zijn ontslagen terug naar Parijs. In 1869 gaat Maximin het zakenleven in: hij wordt partner van een handelaar in sterke drank die de inmiddels beroemde naam van Giraud wilde gebruiken om zijn inkomsten een flinke boost te geven.

Helaas voor Maximin is deze handelaar niet vertrouwen en verdient hij niets aan de mooie deal. In 1870 wordt hij gedwongen deel te nemen aan het keizerlijke leven, maar kan zich snel terugtrekken in zijn geboortedorp tezamen met het echtpaar Jourdains, dat hem al eerder had geholpen van zijn schulden af te komen. De Missionarissen van La Salette, gevormd tijdens Maximins afwezigheid, helpen de drie tot aan hun dood. Op 1 maart 1875 ontvangt Maximin het sacrament van de zieken en de eucharistie die hij met behulp van water uit de bron van La Salette kon dooslikken. Niet lang daarna overleed hij, nog geen veertig jaar.

Het ruige leven van de twee zieners van La Salette laten zien dat het krijgen van een Mariaverschijning geen garantie op een lang en rustig leven. Mélanie en Maximin getuigen dat met hun vele omzwervingen.