Brief uit de missie 142: missie onder de koelies in Suriname

0
624
handgeschreven brief

In 1884, kort na het afschaffen van de slavernij, bracht M. Alberts te Gulpen (Limburg) een boek in de handel met als titel Beknopte geschiedenis der katholieke missie in Suriname.

door Harry Knipschild

In de inleiding besteedde de auteur, een niet met name genoemde redemptorist, aandacht aan de ‘negerslaven’:

‘Zij hebben altijd veruit het grootste gedeelte der Surinaamse bevolking uitgemaakt en werden als werktuigen gebezigd tot productie van suiker en andere stapelproducten.

Om zich een denkbeeld te vormen van het aantal Afrikaanse negerslaven in Suriname is het genoeg te weten dat de West-Indische Maatschappij [WIC] zich in 1730, bij vernieuwing van het octrooi, verplicht had jaarlijks 2.500 slaven ter Surinaamse markt aan te voeren, terwijl het de planters vrij bleef aankopen te doen bij andere slavenhandelaars. Volgens een op goede gegevens gegronde berekening bedroeg het aantal slaven in 1690 niet minder dan 25.000. Bij de volkstelling in 1812 bedroeg het aantal slaven in ronde cijfers 50.000.

De mensonterende handel werd in 1818 bij koninklijk besluit en later dat jaar bij wet verboden. In 1826 kreeg de slavenhandel de doodsteek door de strenge publicaties van gouverneur A. de Veer.’

Einde slavernij

‘Was nu de handel in slaven verboden, zij zelf bleven het juk nog dragen tot 1 juli 1863, toen allen krachtens de emancipatiewet hun vrijheid verlangden.’

Eindelijk kon de missie zich onder hen ontplooien, aldus de auteur. ‘[De slaven in Suriname] waren stelselmatig van het christendom terug gehouden. De eigenaren vreesden [namelijk] dat het christendom hun het onbeperkt eigenschap over de ziel zou ontnemen. De werkkring van de katholieke priester zou zich [voorlopig] uitsluitend tot de blanke bevolking hebben moeten bepalen. Katholieken waren onder de militairen te vinden.’

Pas na de afschaffing van de slavernij kon de katholieke missie op gang komen in Suriname, of zoals het ook genoemd werd: Nederlands Guyana.

Missie in Nederlands Guyana (Suriname)

In 1914 besteedde een in Suriname opererende missionaris als redacteur van de Annalen van de Heilige Kindsheid aandacht aan het missiewerk in de Nederlandse kolonie. Aan de lezers van het missieblad maakte hij duidelijk: ‘Het missiegebied van Guyana omvat drie delen: een Engels gedeelte, dat bediend wordt door de jezuïeten, een Frans gedeelte, bediend door wereldgeestelijken, en een Hollands gedeelte, toevertrouwd aan de redemptoristen.

Nederlands Guyana [Suriname] wordt in het noorden begrensd door de Atlantische Oceaan, in het westen door Brits Guyana, in het zuiden door Brazilië en in het oosten door Frans Guyana. Het zeer uitgestrekte Nederlandse missiegebied telt niet meer dan 100.000 inwoners. Op iedere vierkante kilometer woont nog niet één mens. Men heeft er dus de ruimte.’

Over de bevolking kon je lezen: ‘Die omvat 20.000 katholieken, 40.000 protestanten en 40.000 heidenen. Tot die laatste groep worden ook gerekend de 17.000 koelies, die uit Engels Indië [India] gekomen zijn, Javaanse immigranten, bosnegers, indianen en Chinezen.’

Grote groepen koelies waren als contractarbeiders vanuit Azië naar Suriname overgebracht om het werk van de slaven over te nemen.

Koelies

‘Wij zijn hier voornamelijk om de heidenen te bekeren en de koelies vormen het grootste deel van de heidense bevolking. Daarom willen wij eens iets meedelen over die ongelukkigen, die geketend zijn in hun heidendom. Ze zijn veel belangstelling en toegenegenheid waard. Zoals gezegd komen ze uit Engels Oost-Indië. Dat land heeft achthonderd miljoen inwoners. Er kunnen er dus wel enigen van af,’ aldus werd het afgedrukt.

In het thuisland werd het leven van de koelies beperkt door het kastenstelsel. In Suriname veranderde dat. ‘Het kastenstelsel wordt hier niet zo streng opgevat. Het is hier zelfs langzamerhand aan het verdwijnen, naarmate de koelies zich met de andere bevolking vermengen. Alleen vindt men die nog bij de hoogste kaste, namelijk die der brahmanen en vooral die der dienstdoende priesters. Maar door het feit alleen al dat ze hun land verlaten hebben, verloren ze hun voorrechten. Daarom merkt men hier in Suriname al heel weinig van het onderscheid der kasten.’

Veel uit Brits-Indië afkomstige contractarbeiders bleven voor een groot gedeelte in Suriname als ze na afloop van de contractperiode vrij gekomen waren.

‘In het jaar 1873 kwamen er hier vijf boten met koelies aan. Ze hadden aan boord 2.541 van die werkmensen. Na vijf jaar, toen hun contract om was, keerden er slechts weinigen naar hun land terug; twee duizend bleven er in de kolonie hangen en werden vrije burgers. Dat getal vrije burgers wordt ieder jaar groter, er zijn er op het ogenblik al 25.000 en dat getal wordt ieder jaar groter, daar er nog altijd nieuwe toevoer is.’

Misschien dat niet alle lezers van de annalen ooit van het kastenstelsel hadden gehoord. Daarom werd nog eens uitgelegd: ‘Denk hier niet aan een kast van hout, maar aan een kaste. Dat is een erfelijke, van ander streng afgezonderde stand, bijvoorbeeld van priesters, kooplui, krijgslieden enzovoort.’

Meer informatie

De pater, waarschijnlijk een redemptorist, was in staat en bereid om de lezers van het maandblad allerlei details te geven over de doelgroep waar hij zich op richtte.

‘De koelies zijn niet allen van dezelfde kleur. Er zijn er, die bijna blank zijn, andere zijn bruinachtig, sommige bijna zwart. Hoe lagere kaste, hoe donkerder in de regel de kleur is. Het zijn over algemeen knappe, goed gevormde personen. Hun blik is verstandig en hun manieren zeer beleefd. Het is wel jammer, dat én hun aangeboren schoonheid én hun natuurlijke beleefdheid hier langzamerhand verloren gaan.

Het verwaarlozen der opvoeding, gebrek aan onderwijs, onbeteugelde driften, bovenmatige arbeid, het gebruik of liever misbruik van sterke dranken (dram, ganja, enz.) zijn oorzaak van deze jammerlijke ontaarding.’

Kleding

De missionaris had niet alleen gelet op het uiterlijk van de koelies maar ook op de kleren die ze droegen.

‘De kleding der koelies is een beeld van hun zedelijke toestand: van vorm en kleur is hun kleding uitmuntend, maar zij verliest al haar bekoorlijkheid door de verwaarlozing en de onzindelijkheid der dragers.

Op feestdagen is de koelie “om te stelen” met zijn koerta (jasje), waarvan de kleuren bij al haar levendigheid, toch nooit belachelijk zijn; de snit ervan is netjes en het is bezaaid en afgezet met fijne geborduurde bloempjes. Zijn pajama (broek) of zijn dhoti (linnen) verschillen naargelang hij zich op z’n Indisch of op z’n Europees wil kleden.

Draagt hij, op z’n Europees, een pantalon, dan is dat een pantalon gelijk een andere; maar kleedt hij zich op z’n Indisch met z’n dhoti, dan komt er heel wat anders kijken. Die dhoti is een stuk linnen zonder eind; daarmee omwikkelt hij zich het midden en laat het vervolgens in brede plooien afhangen. Laat hij het afhangen tot op de voeten (alleen aan de brahmanen geoorloofd) dan is het een veel sierlijker en schilderachtiger gewaad dan de Europese pantalon met z’n smalle pijpen.

De koelies dekken zich het hoofd met een vilten hoed, die ze in een of andere Europese winkel kopen, ofwel met een stuk tapijt, waar ze een soort buis of kachelpijp van maken. Aan onzen hoge zijde of “hoge steile” heeft men hem nog niet aan kunnen krijgen, die vinden ze al te bespottelijk.

Ten slotte ontbreekt aan hun uitrusting nooit een zware stok en versieren zij hun hals met een snoer van guldens of dukaten. Zij dragen aldus hun rijkdom met zich mee en laten hem aan iedereen zien; dat is het toppunt van deftigheid.’

Vrouwen en kinderen

In zijn brief uit de Surinaamse missie gaf de geestelijke aan dat je de koelies ruwweg kon verdelen in hindoes en moslims, zoals dat ook in Brits Indië het geval was.

Over de vrouwen meldde hij: ‘Mevrouw kleedt zich als volgt: eerst een lang kleed dat wit is, geel, rosé, rood of van een andere kleur en afgezet met rijk borduurwerk of kant. Dan de doelhwa of corset, fijn en kunstig gesneden en gestikt, vervolgens de orhni of sluier, die het hoofd bedekt en neerhangt op een wijze, die tegelijk sierlijk en natuurlijk is. Op de heup wordt hij met een tip in de ceintuur vastgehouden, hangt tot op de voeten af en bedekt alzo al de andere kledingstukken. Soms is hij doorschijnend genoeg om de zilveren versierselen te laten zien, die in het pikzwarte haar der hindoese ‘mevrouw’ zitten.

Ze dragen haar neus doorboord met een ring, die haar nog zo slecht niet staat, vooral als hij niet te groot is. In of aan het oor dragen ze een hele vracht van sieraden, maar aan een gouden kettinkje, uit vrees dat anders haar oorlel zou scheuren. Om haar hals dragen ze een zwaar zilveren halssnoer en om de armen en enkels minstens twee grote ringen. Hierin tonen ze nu minder smaak; de muzelmanse vrouwen [moslima’s] zijn zo overladen niet.

De kinderen gaan gekleed gelijk de ouders, de jongen als zijn vader, het meisje als de moeder; alleen hebben ze zoveel stof niet nodig.

In het voorbijgaan zij gezegd, dat die lange, lichte kleren in velerlei en levendige kleuren de kinderen veel beter staan dan onze Europese dracht, die dikwijls de kinderen veel ouder doet schijnen dan ze werkelijk zijn.

Wij houden ons hart vast bij de gedachte, dat ook eenmaal de Parijse modes hier zullen doordringen. Daar zal én de zedigheid én de schoonheid veel bij verliezen.

Hoe wonen de koelies?

Comfortabel waren de koelies niet ondergebracht.

‘Wat wel en veel verbeterd zou kunnen worden, dat zijn de woningen der koelies. Al zien ze er van buiten nog zo schilderachtig uit, het zijn en blijven ellendige hutten. Een paar palen, halve boomstammen, gespleten, maar niet geschaafd, planken van pakkisten en een weinig leem is alles wat ze nodig hebben voor de muren. Stukken blik, afkomstig van petroleum-blikken, vormen de dakbedekking. Een vloer is ongekende weelde. De moederaarde vormt de vloer; die aarde wordt op den duur vanzelf hard en desnoods is een beetje koemest een uitstekend middel om de nodige vastheid aan te brengen. Dat is de zorg voor mevrouw, gelijk bij ons het vegen van de vloer.

Een schoorsteen is in ’t geheel niet nodig, hoor! De deur is schoorsteen genoeg en daarbij, men heeft gaarne wat rook in huis om de muskieten te verdrijven. (Muskieten zijn kleine muggen, maar die verschrikkelijk steken, het is de plaag van Suriname).

Waar zouden ramen voor moeten dienen. Als de koelie buiten iets zien wil, gaat hij naar buiten, en licht komt door de deur genoegzaam binnen.

Het meubilair is uiterst eenvoudig. Een tafel is niet nodig. Daar is de grond goed voor en zelfs beter dan een tafel; het aardewerk kan er niet afvallen en breken. De kinderen kunnen ook nooit met de ellebogen op tafel leunen, iets wat hun in Europa altijd kwalijk genomen wordt, omdat het onbeleefd is.

In een hoek staat een soort aanrecht, waarop vuile stopflessen met peper, uien enz. alsook potten en pannen.

Drinken en roken

Zoek naar geen stoel, want dat meubel is onbekend; de heer des huizes en mevrouw hurken uren lang op de grond en de kleine broer of zus kruipt even zo vrolijk rond als op een mooi tapijt. Het is eenvoudig en weinig kostbaar. Het enige nodige gerief in een hindoes (koelie) huishouden zijn borden en koperen kruiken, mooi gepoetst en kunstig gesneden.

Om te drinken heeft een koelie geen glas nodig, maar giet de drank uit de kruik in de hand en brengt die aan de mond. Dat is de oorspronkelijke oer-manier van drinken. Zo maakt hij de kruik niet vuil en deze besmeurt niet zijne lippen. Een dubbel voordeel!

Er is in elk huisgezin nog een meubel, dat nooit ontbreekt en onmisbaar is, het is de tjilam of pijp. Zij is van gebakken aarde en erg breekbaar. Laat je die vallen, dan hoef je de moeite niet te doen van ze op te rapen. Ze is net zo zeker kapot als een goudse pijp. Zij heeft de vorm van een kleine schoorsteenbuis. Eerst stopt men er een beetje vodden in, dan een weinig tabak met suiker gemengd; boven daarop een gloeiend kooltje vuur zo groot als een knikker.

Mijnheer de koelie hurkt neer, plaatst zijn kooltje midden in de pijp en begint te blazen en te hoesten totdat zijn tabak vuur vat. Dan neemt hij de pijpekop in zijn beide handen, zodat deze een verlengstuk vormen van de pijp, trekt en blaast en hoest en de rook begint te komen door neus en mond.

Weldra stijgen er rookwolken op als uit een locomotief. Men weet waarlijk niet waar ze vandaan komen, (maar ze zijn er). Als je denkt: nu is het gedaan, begint het opnieuw, alsof er ergens een brand woedt, die zich dreigend laat aanzien. Dan wordt de pijp overgegeven aan een buurman, die hetzelfde spelletje herbegint.

De vrouwen roken zelden een pijp; ze hebben liever een sigaret, maar het gebruik daarvan hebben ze hier geleerd; want in haar eigen land roken ze nooit. Men acht dat daar als in strijd met de vrouwelijke bescheidenheid, een opvatting, die nog zo dom niet is.’

Exotische lectuur

In een tijdperk van (in onze hedendaagse ogen) beperkte mogelijkheid tot communicatie fungeerde zo’n artikel als middel om belangstelling te wekken voor het missieland. Het was exotische lectuur en kon op katholieke jongens en meisjes prikkelend werken om zich geroepen te voelen een bijdrage, financieel of lijfelijk, aan de missie te leveren.