Brief uit de missie 146: Victor Roelens, een witte pater in de Congo

0
1153
Handgeschreven brieven

Victor Roelens werd op 21 juli 1858, 123 jaar geleden, geboren in het kasteel van Ardooie, Vlaanderen. Op 22-jarige leeftijd trad hij toe tot de witte paters, de missiecongregatie die Charles Lavigerie (1825-1892) in 1868 gesticht had ter bekering van Afrika.

De Fransman wilde een einde maken aan de slavenhandel, die door moslims was opgezet vanuit Zanzibar op de oostkust van Afrika. Op 24 september 1888 stuurde Lavigerie een brief aan Roelens, die in de media werd afgedrukt. De slavernij was vreselijk, legde de befaamde bisschop vast. ‘Op de hoogvlakten van Tanganika wordt de slavenhandel met barbaarsheid gedreven. Arme zwarten worden naar de kust gesleept en in Arabische voertuigen ingescheept om vervoerd te worden naar de kusten van de Perzische Golf van Arabië of van Chinees-Indië.’

Lavigerie citeerde uit een verslag van missionaris Bridoux – over diens persoonlijke ervaring bij aankomst in Zanzibar: ‘Toen ik aan wal stapte, zag ik meteen de gruwelen van de slavernij. Ik ben tussen twee schepen, beladen met slaven, doorgevaren. Zij waren samengepakt als haringen. Het was onbegrijpelijk hoe men er tachtig had kunnen plaatsen in een kleine ruimte, waar slechts plaats was voor tien. Allen waren bleek, mager als geraamten, met ingevallen ogen, honger, schrik en wanhoop op het gelaat.

Niets is afschuwelijker dan het gezicht van die ongelukkigen, ziek, overdekt met wonden, de striemen op hun armen, handen en op hun rug van de zweepslagen, welke men hun gedurende de lange tocht had gegeven.’

Lavigerie in Maastricht

Tijdens zijn bezoek aan de Sint Martinuskerk in Maastricht, datzelfde jaar, liet Lavigerie zich eveneens uit over het gedrag van slavenhandelaren in het binnenland van Afrika. In de annalen van de Witte Paters kon je lezen over zijn preek op de oever van de Maas.

‘Als vanzelf kwam de grote gesel van Afrika’s binnenlanden, de slavenhandel, ter sprake. Hoe somber was niet het toneel, dat hij van de barbaarsheid ophing. Hij toonde al die gruwelen ten opzichte der ongelukkige negers in al hun afschuwelijkheid; die onmeedogendheid, waarmee die weerloze slachtoffers, van welke de vrouwen het meest te beklagen zijn, worden behandeld; die goddeloosheden, erger dan de dood, waaraan zij zich moeten onderwerpen.

Onuitwisbaar zijn ze in het geheugen der toehoorders geprent, die taferelen, die de welsprekende redenaar schetste van die moeder, met ivoor beladen, die met lede ogen moest toezien, hoe de onmenselijke slavenhandelaar haar kind, dat als nutteloze ballast op de lange tocht werd beschouwd, het hoofd verbrijzelde; van de negervorst, die uit dankbaarheid jegens een missionaris, deze uitnodigde de verbranding van enige zijner slavinnen te komen bijwonen.

Dan vooral bereikte de welsprekendheid van de warme mensenvriend haar toppunt, wanneer hij sprak over de ongelukkige kinderen, welke hij een bijzondere vaderlijke genegenheid toedraagt, wier lot hij zich meer in het bijzonder aantrekt.

Waar hij van hen sprak, waren de schetsen die hij gaf nu eens schrikwekkend, dan weer aandoenlijk, maar altijd zo treffend, dat zij de tranen uit aller ogen persten.

Daarop wendde hij zich tot de christenen, tot de aanwezige moeders vooral, om haar voor ogen te houden, wat zij aan hun geloof, aan het christendom verschuldigd zijn, daar overal waar Christus niet heerst, de vrouw voor niets wordt geacht en slechts een ellendige slavin is.

‘Op de slavenmarkten van Afrika koopt men twee vrouwen voor een geit, een meisje voor een zakje zout.’

Kapitein Joubert

In België was een genootschap tegen de slavernij opgericht. Zouaven, die eerder als vrijwilligers geprobeerd hadden de kerkelijke staat militair te verdedigen tegen Italiaanse nationalisten, hielpen een handje in Afrika. Een van hen was de Fransman Leopold Joubert (1842-1927), die als kapitein optrad in het gebied waar Roelens als witte pater heen gestuurd werd om de slavenhandel tegen te gaan en het katholieke geloof te vestigen.

In een brief uit de missie in Opper Congo vertelde Roelens na aankomst over de strijd die Joubert, de voormalige zouaaf, voerde in Mrumbi, waar opperhoofd Katelé onder één hoedje speelde met de handelaren. ‘Zij verklaarden zich in 1889 meester van de streek en vielen Manda, negerhoofd van Marungu, aan. Manda werd verslagen, zijn dorp uitgeplunderd en meer dan honderd arme slaven naar Katelé gevoerd, op wiens naam de strooptocht ondernomen was.

Toen de kapitein vernomen had wat er voorgevallen was, stuurde hij mannen naar Katelé, om hem te dwingen de slaven en al het gestolene terug te geven; tevens beval hij aan de Arabieren het land te verlaten, waarover hij gezag had en waarin zij zich, zonder zijn toestemming gevestigd hadden.

Joubert stelde zich aan het hoofd van de ene afdeling van zijn leger. Een neger voerde bevel over de andere. Katelé en de zijnen werden met zulk een schrik bevangen, dat zij ’s avonds naar de bergen vluchtten, terwijl zij al hun goederen en slaven in de handen der mannen van Joubert achterlieten. Joubert zond de honderd slaven naar hun woningen terug.’

Zo ging het toe in de streek waar de Belgische pater zijn bekeringswerk begon uit te oefenen.

Verslag van de reis naar het fort van kapitein Joubert

Vanuit Mrumbi deed Roelens in 1893 aan pater Malfreijt te Mechelen verslag over zijn belevenissen op weg naar zijn standplaats. Onderweg trof het hem hoezeer de bevolking opkeek tegen de technische middelen, zoals een elektriseermachine, kompas, horloge en muziekdoos, waar de Europeanen (‘wasungus’) zich van konden bedienen. Zij zouden zelfs kunnen bepalen wanneer het wel en wanneer het niet regende, dacht men.

Een gedeelte van de reis ging over water. ‘Wij moesten naar St. Louis du Mrumbi, waar de dappere kapitein Joubert verblijft. In de wilde streken, die wij voorbijvoeren, zagen of hoorden wij geen enkel menselijk wezen. Alleen kwam een nijlpaard van tijd tot tijd het eentonig geluid van de roeiriemen onderbreken, die in het water klotsten, alsmede het nog veel eentoniger geluid van de stemmen der roeiers, die, urenlang, hetzelfde deuntje opdreunen, om op de maat te kunnen roeien.

Bij de negers geschiedt alles op de klank van de stem, de trom of de muziekinstrumenten. Zonder muziek deugt de neger tot niets. Als men ergens zwarte werklieden in zijn dienst heeft, behoeft men maar de oren te openen om te weten of zij bezig zijn: zingen zij, dan wordt er gewerkt; hoort gij zang, noch muziek, dan is het vast en zeker dat zij niets uitvoeren. Aan de snelheid van een gedurig herhaald refreintje kunt gij horen of zij flink doorwerken of niet.’

De ontvangst in Mrumbi was hartelijk. ‘Zodra wij uit ons schuitje waren, beklommen wij de heuvel, op welke het fort van Joubert gebouwd is. Dit fort ligt ongeveer twintig minuten van het meer. De wakkere kapitein stelde zijn gehele huis te onzer beschikking.’

Missiebisschop Lechaptois droeg er de mis op. ‘Wij zongen zo goed wij konden, om de echo’s der bergen deze kreet te doen herhalen, welke voortaan voor deze streek decreet van geloof en zaligheid wezen zal: credo in unum Deum! Ik geloof in één God!’

Aan de slag

Vergezeld van pater Herrebaut en broeder Stanislaus ging de nieuw aangekomene aan de slag. ‘Bij mijn aankomst dacht ik er vooreerst aan voor een onderkomen te zorgen. Aanstonds gingen wij aan het werk, bouwden van aarde en stro een huis en maakten enige kamertjes erin voor vrijgekochte weesjes. Nu huisvesten wij er 25, maar waren onze middelen niet zo gering, dan zouden wij er veel meer kunnen hebben.

De vrouw van de kapitein heeft 28 vrijgekochte weesmeisjes onder haar leiding. Later zullen die jongetjes en meisjes christelijke huisgezinnen vormen, die aan de bekeerde volwassenen tot voorbeeld zullen strekken. Immers de kinderen, die van jongs af in de katholieke godsdienst opgevoed zijn, zullen ongetwijfeld betere christenen zijn dan de bekeerde grote mensen, die hun jeugd, ja, niet zelden hun volwassen leeftijd in allerlei soort van ondeugden doorgebracht hebben.’

Met Europees geld kochten de missionarissen kinderen ‘vrij’, die onder hun leiding een katholieke opvoeding kregen in een weeshuis.

Daar bleef het natuurlijk niet bij. ‘Het weeshuis hier zal niet onze enige bezigheid zijn. In Mrumbi’s vlakte wonen duizenden en duizenden ongelovigen, die op onze predicatiën wachten om tot het ware geloof te bekeren. Het eerste zaad is uitgestrooid door kapitein Joubert, die een waar missionarishart in zijn boezem draagt.’

Roelens heeft al een basis dankzij Edward Herrebaut

Edward Herrebaut (1862-1902) had voorbereidend werk gedaan in de missiepost die aan de heilige Lodewijk gewijd was. ‘Pater Herrebaut las hier het eerste de H. Mis. Voor kapel vond hij een bouwvallige loods of afdak en voor altaar een gewijde steen, die op twee opeen geplaatste kisten lag. Te midden van die armoede gewaardigde de eeuwige Koning zich zijn intrek in St. Louis te doen.

Wie denkt hier niet aan Bethlehem, het stalletje en de herders?

Later diende de schaafbank, die de kapitein gebruikt om het timmerwerk van zijn woning klaar te maken, tot altaar, en deze, met stoffen van verschillende kleuren bedekt, was in de ogen der negers veel passender. Lang diende dit afdak in de week tot werkplaats, en ’s zondags tot kapel.

Verleden jaar eerst is men tot het bouwen overgegaan van een bidplaats, gemaakt van in de zon gebakken steen en bedekt met stro. Dit kerkje dient ons nu voor onze godsdienstoefeningen, en daarin komen de wilden van de omtrek dagelijks naar onze onderrichtingen luisteren.’

Herrebaut werd ook op andere plaatsen verwacht. Hij trok rond in het missiegebied. ‘Van zijn kant predikte kapitein Joubert voor de goede christenen door woord en voorbeeld. Wanneer het soms gebeurde, dat het slechte weer de missionarissen belette naar St. Louis te komen, dan onderwees Joubert in hun plaats, en zijn woord bracht de heilzaamste uitwerkselen te weeg. Mevrouw Joubert hield zich met de vrouwen en meisjes bezig en leerde hun de grondwaarheden van onze heilige godsdienst.’

Victor Roelens had dus al een basis. ‘U ziet dat wij bij onze aankomst een goed voorbereide grond vonden. Wij komen oogsten, waar wij niet gezaaid hebben. De oogst schijnt rijp en wacht op de maaiers. Nu zijn deze op hun post. Reeds hebben wij de hand aan het werk geslagen. Alle dagen wordt er in onze kleine kapel katechismus gedaan. De gehele bevolking van St. Louis woont met de voorbeeldigste ijver onze onderrichtingen bij. Tien geloofsleerlingen bereiden zich voor, om het doopsel en het vormsel te ontvangen. Met Pinksteren zal ik hun die heilige sacramenten mogen toedienen. Anderen, die niet zo ver gevorderd zijn, moeten nog wachten.’

Doop-procedure

Heel wat inwoners van Mrumbi en omgeving wilden, waarschijnlijk uit opportunisme, tot de katholieke kerk toetreden. De witte paters vonden dat niet voldoende.

‘U weet dat degenen, die zich bekeren, twee jaar lang de katechismus geregeld moeten bijwonen, alvorens zij als geloofsleerling aangenomen kunnen worden. Gedurende die tijd mogen zij slechts tot aan de offerande de H. Mis bij wonen; in het lof worden zij niet toegelaten. Men spreekt hun alleen over het H. Doopsel.

Over de andere sacramenten, bijzonder over het H. Sacrament des Altaars [communie], wordt er alleen gesproken tot de geloofsleerlingen, die zich tot het doopsel voorbereiden.

De geloofsleerlingen van het eerste jaar verlaten de Mis na de Sanctus. Alleen zij, die weldra het H. Doopsel zullen ontvangen, en de gedoopte christenen mogen de gehele mis en het lof bijwonen. Het H. Doopsel wordt dus door vier proefjaren voorafgegaan.

Zij alleen, die zich gedurende deze tijd goed gedragen hebben en voldoende onderwezen zijn, worden onder het getal der christenen aangenomen; de anderen worden slechts gedoopt als zij in gevaar zijn te sterven.

Ziedaar de regel die wij volgen; een zeer wijze regel, ons door Rome voorgeschreven. Die proeftijd is nuttig, ja zelfs noodzakelijk, wegens het wufte, ongestadige karakter der negers. Liet men hun eerder tot het H. Doopsel toe, dan zou men zonder twijfel dikwijls afval te betreuren hebben. Doch verlangt de neger vier jaar lang naar het doopsel, en doet hij zijn best om gedurende die tijd zijn gedrag naar de voorschriften van onze godsdienst te regelen, dan kan men zeker op zijn latere volharding rekenen.’

Gedoopt worden werd ‘verkocht’ als een voorrecht. Een bekeerling moest jarenlang volharden. Roelens was duidelijk: ‘Voor wie het karakter der negers kent, is die volharding werkelijk een wonder, dat alleen aan de kracht van Gods genade kan toegeschreven worden.

Ja, Gods hand is zichtbaar. Hij bewerkt de bekeringen. Wij zijn slechts de nederige werktuigen, waarvan Hij zich wil bedienen. Wij kunnen prediken, onderrichten, overtuigen misschien, maar de bekering van de mens is uitsluitend het werk des Hemels. Zijn genade doet meer op één enkel ogenblik, dan jarenlange predicatiën zouden doen; zonder de genade zou onze stem zijn als die van de  roepende in de woestijn.’

Gelovigen zijn voormalige slaven

In 1894 gaf de Vlaamse pater aanvullende gegevens over zijn bekeerlingen. ‘Bijna allen, die hier wonen, zijn ongelukkigen, die door de onmenselijke slavenhandelaars uit hun land en hun woningen verjaagd zijn. Deze heeft bij een overrompeling zijn vader, die zijn moeder, een ander zijn kinderen en zijn echtgenote verloren. Ik geloof niet, dat men één enkel huisgezin zou vinden, waarvan niet een der leden vermoord of in slavernij weggevoerd werd.

Nu leven zij vreedzaam en gelukkig onder de bescherming van kapitein Joubert en hun ongelukken hebben hun het groot geluk bezorgd, dat zij thans God en de weg naar de Hemel kennen.’

Nogal wat kinderen in het weeshuis van Mrumbi waren afkomstig uit Marungu. ‘Het is een zeer vruchtbaar land, waar de slavenhandelaars vroeger de grootste verwoestingen aangericht hebben. Heden geniet de bevolking enige rust en vrede. Dit heeft zij aan de moedige Joubert te danken. Onze kinderen in het weeshuis, allen van de slavernij vrijgekocht, zijn voor het merendeel uit Marungu afkomstig.

Enige dagen geleden heb ik die kinderen ondervraagd over de wijze, waarop zij hier gekomen zijn. Bijna allen vertelden mij dat hun rustige dorpen onverwacht door de Arabieren en de Wangwana’s aangevallen en afgebrand werden, dat zij gevangen genomen en als slaaf verkocht werden. En als ik dan vroeg, wat gebeurde er met uw vader en moeder, kreeg ik tot antwoord: Vader werd gedood en moeder werd met mijn broers en zusters verkocht.

Dit is de geschiedenis van elk dier arme kinderen.

Wanneer toch zal er paal en perk gesteld worden aan die afschuwelijke slavenhandel! Het zou zo gemakkelijk zijn daar voorgoed een einde aan te maken. Immers het zou voldoende wezen, dat al de mogendheden krachtig en ernstig samenwerkten, om de invoer van kruit geheel te beletten. In strijd met de acte van Brussel, komen er voortdurend wapens, ja zelfs wapens van de nieuwste soort, en kruit in het zwarte werelddeel. Zij, die de invoer van wapens en kruit toelaten, zullen er  waarschijnlijk later bitter berouw over hebben, als de Arabieren en Wangwana’s tegen hen zelf de wapens zullen keren, die zij hun verschaft hebben.

Men gelove ons: De Arabier is een vijand!’

Erkenning

Victor Roelens deed het goed. Op 38-jarige leeftijd, in 1896, werd hij missiebisschop. Toen hij op hoge leeftijd in 1947 kwam te overlijden werd hij de ‘Vlaamse Lavigerie’ genoemd in de annalen van de witte paters.

‘Mgr. Roelens kende de harde, bloedige strijd tegen de onmenselijke slavenhandel. Hij beleefde de zware rampen van slaapziekte, die zijn land dreigde te ontvolken. Hij maakte de beproevingen door van allerlei ziekten als malaria en bloedloopepidemieën, die zijn missionarissen bij tientallen wegmaaiden. Zelf werd hij achttien maal door ziekte overvallen, maar ‘man van staal’ heeft hij het nooit begeven en is hij alle rampen zegevierend te boven gekomen.

In deze periode werden huizen, scholen, armen-apotheken en kerken gebouwd. De godsdienstige actiestraal van een missiepost werd vertiendubbeld door het stichten van schoolkapellen op 100 km en meer van de hoofdpost verwijderd.

Een halve eeuw geleden was er geen comfort, geen wetenschappelijke bestrijding van tropische ziekten en een moordend klimaat. Wie als koloniaal in die baanbrekende periode, welke Mgr. Roelens heeft meegemaakt, na een diensttermijn van drie, zes of negen jaren, naar het vaderland terugkeerde, werd begroet als een veteraan en bijna als een ontsnapte aan de dood.

Eens zal een boek verschijnen, waarin het ‘volle leven’ zal worden behandeld van deze zo eenvoudige hovenierszoon uit Ardooie, die het met Gods genade heeft gebracht tot een van de zuiverste glories van ons Vlaamse volk in dienst van kerk en land.

Naast een Mgr. Bermijn, een pater Damiaan, een pater Vyncke, een pater Lievens en zoveel andere edele zonen en dochters uit het missielievende Vlaanderen heeft Mgr. Roelens nu reeds een verzekerde plaats veroverd. Zijn naam zal steeds een vlag blijven voor het studentenvolk, dat nog vatbaar is voor hogere idealen en de wekroep in zich voelt naar verre landen ter verovering van de heidenwereld voor Christus.’