Column: Mag ik klappen?

0
225
Auschwitz

Onlangs was ik in het openluchttheater in Berghem, net boven Oss. Oorlogstuig werd opgevoerd: hHet verhaal van de danslerares die verschillende dansscholen had in ’s-Hertogenbosch, Eindhoven, Helmond en Tilburg. Het verhaal begint vóór de Tweede Wereldoorlog. Roosje is Joods. Als puber en in de jaren daarna ontworstelt zij zich uit het besloten milieu waarin zij opgroeit. Zij wil op eigen benen staan en danst graag. Daar maakt zij haar werk van. Ondernemend, stoer, eigenzinnig. Ze gaat haar eigen weg. Ook in de liefde.

Intussen groeit de ongerustheid over wat in Duitsland geschiedt. Zij kan zich niet voorstellen dat haar wat kan overkomen. Ze heeft zich toch los gemaakt van haar joodse milieu? Het wordt 1940. Al snel wordt duidelijk dat ook zij niet ontsnapt aan de maatregelen die de Duitse bezetter neemt ten aanzien van de Joden. Ze wordt opgepakt, geïnterneerd. En dan begint een lange tocht te beginnen in Vugt, vervolgens Westerbork en eindigend in Auschwitz. Omdat Roosje een knappe verschijning is en goed kan dansen overleeft zij de verschrikkingen door een ‘creatieve omgang’ met (min of meer hoge) SS-ers.

Oorlogstuig is de bewerking van het boek Dansen met de vijand van Paul Glaser die bij een bezoek aan Auschwitz een koffer zag met daarop de naam Glaser. Hij is gaan zoeken en heeft een verborgen hoek van zijn familiegeschiedenis ontdekt: Roosje Glaser was de zus van zijn vader die zijn Joodse afkomst verborgen heeft gehouden. Roosje blijkt haar omzwervingen goed gedocumenteerd te hebben en op verschillende plaatsen begraven om ze na de oorlog weer op te graven. Haar neef Paul heeft hier dankbaar gebruik van gemaakt.

Oorlogstuig wordt ruig gespeeld. Het is een verhaal van liefde en verraad. Langzaamaan trekt het net zich samen rond Roosje. Met suggestieve beelden worden de verschrikkingen van het leven in een concentratiekamp opgeroepen. Het doden van Joden in een gaskamer, het steriliseren van Roosje met veel geweld, het neerschieten van uiterst verzwakte mensen op de dodenmars van Auschwitz naar Buchenwald (alles is echt gebeurd!): als toeschouwer weet ik niet hoe te reageren. Er is louter afschuw en ook beklemming om te blijven kijken.

En dan komt het slot. Het toneelstuk is afgelopen. Zoals bij ieder toneelstuk gaan mensen klappen, de spelers komen in een rij weer op en buigen naar het publiek. De mensen klappen. Ik kan niet klappen en toch klap ik mee.
Wat gebeurt hier?, vraag ik mezelf af. Wat is dit klappen in antwoord op alle verschrikkingen die bij mij in de afgelopen twee uur zijn opgeroepen, en die bij mij nog sterker binnenkomen omdat een Joodse vriend ook overlevende van Auschwitz is? Zijn verhalen komen overeen met wat hier gespeeld wordt. Het voelt niet goed. Ik zit in een systeem waarin mij wordt opgedragen te klappen terwijl ik dat niet wil.

Dit komt vaker voor. Gewenst gedrag in strijd met je meest eigenste gevoelens. Soms schaam ik me om wat ik dan doe en mezelf er op betrap. Is het dan ontrouw aan mezelf? Had ik niet moeten klappen aan het einde van Oorlosgtuig? Maar hoe had ik dan mijn dank kunnen uiten aan deze spelers die op zo’n indrukwekkende wijze niet alleen een stuk geschiedenis naar boven hebben gehaald maar ook mij – en velen met mij – aan het denken hebben gezet? Eén minuut stilte houden? Was dat het goede antwoord?

Het gebeurt niet alleen op het persoonlijk vlak. ‘De rechterlijke macht geeft toe dat in de toeslagenaffaire gewoonlijk gekozen is voor de belastingdienst en niet voor de “frauderende” burger’ lees ik in de krant. ‘We voelden dat we niet helemaal goed zaten, maar lieten het wel doorgaan.’ ‘Het systeem’ is aan de macht. Franz Kafka – Het Proces – is nog steeds actueel. ‘Het systeem’ dicteert hoe we moeten reageren. Gelukkig zijn er mensen die de goede vragen blijven stellen en instituties bevragen op hun gezond verstand en hun menselijk gevoel.

Zal ik een volgende keer toch klappen? Of…